Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER DUITSCHE LETTEREN

door C J. E. DINAUX

Jeugd, voor- en naoorlogsche, is aan het woord! Toegegeven,, eigenlijk was ze het al, jaren voordat de groote catastrophe over Europa kwam: zij deed, uit diep-innerlijke en symptomatische ongenoegzaamheid, afstand van de erfenis der vaderen, kon en wilde met pessimisme, determinisme, naturalisme en impressionisme niet langer overweg, want ze zag den ganschen hemel duister en van booze bedreiging vol, ze had den naderenden stormwind al in de ooren. Ontkennend hier, profetisch daar, brekend met gangbare normen alom, verklaarde zij met den Geest den oorlog aan de Natuur, met de Ethiek trok zij te velde tegen het sensitivisme, terwijl ze stormenderhand de plaats heroveren wilde, die de dichter eens had ingenomen: vermaner, wegbereider, leider en profeet zou de dichter weer worden, in het bewustzijn van een hoogst verantwoordelijke zending. Zoo was het dan ook een herboren ideoloog, een dienaar van Ethos, die het expressionisme inluidde met Werfel's woord op de lippen: »Esist nicht zu spat, immer ist dir ein neuer Tag bereit«.

Nog is zij aan het woord, de jeugd, al spreekt zij allerminst één zelfde taal. Goed, daar zijn nog de expressionisten; maar naast hen verrezen lang en breed de neo-naturalisten, die de natuur benaderen willen met «de nieuwe zakelijkheid». Evenmin zweeg de nakomelingschap van het impressionisme en ook zij ontbreken niet, die, los van alle -ismen, eigen wegen gaan en daarbij vluchten in het verleden, in de politiek, in de psychoanalyse, ja, waarin al niet! Men greep, in een nieuw maar nog onbepaald levensbewustzijn, naar nieuwe roman-vormen, meende in de reportage zijn heil te kunnen vinden, zooals Frank Thiesz in de door hem voortreffelijk samengestelde serie »Lebendige Welt« (J. Engelhorns Nachf., Stuttgart), een verzameling werken, waarin niet de literatuur maar het leven zelf triomfeert. »Het leven«, meent Thiesz, »behoeft niet verdicht te worden, het dicht zichzelf en de dichter breekt, als prisma, den lichtstraal, des levens, waarin zich het achter de verschijningswereld schuilgaande wezen weerspiegelt.« In dien geest schreef Carl Haensel zijn «Tatsachenroman» (de benaming spreke voor zichzelf) »Der Kampf ums Matterhorn« (J, Engelhorns Nachf.), een frisch, zakelijk en alleszins boeiend verslag van de bestijging van dert

Sluiten