Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER DUITSCHE LETTEREN

759

verren blik en den stillen glimlach; daar is Silberstedt, mensch van conflicten, van verterende zenuwen, zelfkweller, innig, machteloos, vechtend tegen een vijand, die slechts behoeft te zijn om te overwinnen. Tusschen beiden staat de jonge Erhard Vischer, met warme genegenheid voor Silberstedt, met verheerlijkende bewondering voor- en een heimelijk hunkeren naar Mahr. — Er ligt iets van de ongereptheid van sneeuw over dit boek, blank is de herinnering eraan, in weerwil van de wel wat al te zeer «geschreven en bedachte» ontknooping.

Dichter bij Süsskind staat Walter von Molo, eveneens zoekend, tastend, hunkerend naar klaarheid, naar oplossing der conflicten, in zijn roman »Die Scheidung« (Paul Zsolnay Verlag). Dat een mensch als von Molo pogingen zou doen om zich van het problematische te ontdoen, sprak wel van zelf voor hén, die zijn trilogie »Bobenmatz« kennen. Ook Bobenmatz wilde immers zijn medemensch helpen een weg te vinden; maar zelf dwalend, stichtte hij meer kwaad dan goed. Kind was hij, als von Molo zelf, van een dolenden tijd, en zoo kent hij een «schuldlooze schuld», een gevoel van medeverantwoordelijkheid voor wat om en in ons plaats grijpt. Bobenmatz steekt de hand dan ook in eigen boezem, keert tot zichzelf in en vindt zijn weg eerst als stervende. In »Die Scheidung« ontwikkelt von Molo uit de geschiedenis van een mislukt huwelijk het wezensverschil tusschen de oude en de jongere generatie: wat de hoofdpersoon, de noodgedwongen gescheiden man, in de moderne vrouw ziet, is niets dan de begripsverschuiving, dan de veranderde levensinhoud, waarvan de zin hem ontgaat. Hij ademt in een andere wereld en ziet meteen zijn handen leeg; zijn geest tast naar begrippen — ze zijn er niet meer, en, zoo ze vindbaar voor hem zijn, spreken zij een taal, die hij niet verstaat. Bitterheid en wantrouwen vervullen hem, zelfs dan, als hij het onvergankelijk vrouwelijke in moderne gestalte ontmoet. Er gaat door von Molo's roman een huivering van noodlot, er gaapt een afgrond tusschen oud en nieuw leven, en twee generaties staren elkander aan zonder een blik van verstandhouding. Een onafwendbaar «moeten» — von Molo ziet het en zijn gescheiden Thomas ziet het met hem — sloeg wonden, waaraan de tijd bloedt en die enkel de zendingsbewusten, de innig-vervulden heelen kunnen.

De zendingsbewusten! Daar staat meteen Franz Werf el op, hij, die leed aan zijn tijd nog voordat de booze jaren kwamen; hij. die als een 20ste-eeuwsche Savonarola striemde en bezwoer, met opgeheven smeekende en dreigende handen, diep-berouwend, schuldbewust, bereid tot de zwaarste boete. Door zijn ethischen honger in het visionnaire gedreven, zag hij den oordeelsdag nabij, en toen deze kwam, droeg Werfel gelaten het zijne. Sindsdien was hij niet enkel zelfaanklagend, maar klaar en

Sluiten