Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

760

KRONIEK DER DUITSCHE LETTEREN

— zendingsbewust: rustiger werd zijn rhythme, doorzichtiger zijn proza in het louteringsproces der zware jaren. In zijn »Barbara oder die Frömmigkeit« (Paul Zsolnay Verlag) brengt hij zijn zendingsboodschap onder de menschen, een boodschap, die hemelen breken doet en innig vervult. Barbara is de belichaming van de vroomheid, die niet beredeneerd noch uitgesproken behoeft te worden om te schragen, maar die, beleden wordend, zegent. Barbara is ook de kindermeid van den kleinen Ferdinand R., kind van de 19de eeuw, kind van een burgerdom, dat in de echtscheiding een eerste ondergangssymptoom verraadt. Als kort daarop de vader overlijdt, ontfermt Barbara zich over den kleinen officierszoon: van jongsher was zij voor hem vertroosting en koestering, veilige haven en schoot waarin men veilig het hoofd kon neerleggen. Los van haar hand, maar meedragend een nog onbegrepen essentie van haar wezen, aanvaardt Ferdinand zijn zelfstandigen levensloop: kostschool, levenservaring, doodsnabijheid aan het front, geestelijke en

lichamelijke kwellingen, desertie, revolutie Keizerstronen

vallen, een wereldbouw wankelt, geestelijke waarden sterven, massa's komen in beweging, nieuwe leiders staan op: machtsbelusten, hunkerenden, wrekenden, zendingsbewusten — wanhoop aan het oude maakt plaats voor geloof in het nieuwe, grenzen vervagen — en, als de storm uitgewoed is, staat de enkeling op en wrijft zich de oogen uit en zoekt een heenkomen. Een heenkomen — waarheen? Ergens nog leeft Barbara; oud is zij geworden, maar zij is, al viel ook mensch en ding, geloof en hoop, lichaam en ziel; nog is Barbara innige vroomheid in levenden lijve. Als Ferdinand van Barbara scheidt, draagt hij met zich een schat, dien de oude kindermeid uit de groote «Entwertung» voor hem redde: gouden munt, volwaardige munt, edel metaal van onvergankelijke waarde. Lang draagt Ferdinand den schat mèt zich; en als het oogenblik komt, waarop de tastbare aanwezigheid door innerlijke verworvenheid overbodig is geworden, offert Ferdinand den gouden schat aan de eeuwig-deinende zee, die hij dan als scheepsdokter bevaart. Barbara's wezen werd tot verlossenden levensinhoud voor hem: innige vroomheid. Dat is »Barbara«, dat ik in aller handen wensch, omdat het schoon en goed en sterk is.

Tweehonderd bladzijden had Werfel noodig om zich te bevrijden van het oorlogsvisioen, tweehonderd bladzijden, zonder na Remarque, Renn, Glaeser, Arnold Zweig en zooveel anderen een overbodig woord te zeggen. Wel boos moet de herinnering aan dezen barren doodendans zijn, dat men zoozeer naar woorden snakt om zich ervan te ontdoen. Telkens melden zich nieuwe droombezwaarden aan; zoo onlangs Graaf Alexander Stenboek—Fermor in zijn »Freiwilliger Stenbock« (J, Engelhorns Nachf.), een sober en daarom des te aangrijpender relaas van

Sluiten