Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER LETTEREN

765

toe in »Griane« die heerlijke klucht van »Bouwen Langlijf«; — wat een mooie liedjes in »Stommen Ridder«; welk een karakterteekening in die niet te evenaren, wel wat ondeugende »Klucht van den Meulenaar«. Nog niet noemde ik zijn vermaarde »Moortje«,gevolgd naarTerentius, maar verrijkt met schatten van zijn eigen vernuft, daar waar hij teekent het burgerlijk leven van Amsterdam. Men wordt als opgenomen in dat bonte leven. Twee fragmenten van »Het daghet uyt den Oosten« zijn bewaard gebleven. Telkens en telkens ontmoet men zinspelingen op wat hijzelf doormaakte. Zoo bracht hij beeldend naar buiten al wat hem had bewogen; daarom hebben al die stukken, ondanks zwakke plaatsen, zoo'n groote bekoring. En dan is daar zijn sGroot Lied-boeck« en komt men ten slotte tot zijn rederijkersverzen, zijn voorredenen en brieven. —

Al sinds jaren werd de behoefte gevoeld aan een nieuwe, goed-verzorgde uitgave zijner volledige werken. Noodzakelijk was duidelijke druk en een inzichtelijke rangschikking zijner lyriek — noodzakelijk eveneens een bondige inleiding, die ons Bredero laat zien in het licht van zijn tijd, een inleiding van iemand, die de zeventiende eeuw kent en die zich jarenlang heeft beziggehouden met het werk van den grooten Nederlandschen dichter, die liefhad zijn taal, zijn stad en die in zijn leven liefhad de Schoonheid, dikwijls gesymboliseerd door een schoone vrouw, die hem vreugde bracht en leed. —

Lang leefde in den Amsterdamschen uitgever wijlen S. L. van Looy de wensch een nieuwe uitgave van Bredero te geven. De tijd der oorlogsjaren bracht zijn vele bezwaren, maar wij hebben toch, dank zij het moedig volhouden van Dr J. A. N. Knuttel en de vastberadenheid van Sijthoff's Uitgeversmij onzen Bredero gekregen in drie kloeke deelen. Deze prachtige editie, versierd met fraaie prenten van Albert Hahn en Hahn Jr„ zou ik willen noemen een nationale glorie! Een volk, dat zichzelf eert, moet zijn groote dichters kennen. —

Hoor Bredero over zijn liefde voor de oude taal (Inleiding LXVIII):

» Het is mijn al goet als 't hier-landsche onvervalschte

onvermenghde munte is, als ick weet dat het by de ghemeene man in de dagelijksche handeling en ommegangh gewraackt noch geweygert, maar by haer lieden voor goet gekent en ontfangen wort. Het is myn alleens, of ick van een machtich Coning of van een arm Bedelaer leer de kennisse van mijn moeders tale, en of de woorden uyt het vuylnis-vat of uyt de cierlijckste en grootste Schatkamers van de werelt komen: doch moet my elck na haar waarde goude, silveren en koperen gelde verstrecken.«

Terecht zegt Dr Knuttel (XLV): »Voor sommige blijven de vrij talrijke en soms vrij forsche obsceniteiten iets waar, zooal niet

Sluiten