Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INTERMEZZO

door

KITTY DE JOSSELIN DE JONG

Herrn und Frau Dr. G. S. te A.

Zij ligt op den langen stoel, voor het donkere chalet en ziet uit over het schitter-witte sneeuwveld, hel en verblindend in de zon. Zij denkt na, de handen gevouwen onder het hoofd. Zij kan nog niet begrijpen dat het voorbij is, het lange week-end van Zaterdag tot Maandag. Voorbij — en weer is er de onverbroken rust der gelijke dagen. Rust — die zalige, nergens geëvenaarde rust der Zwitsersche bergen. Nu hij vertrokken is, is zij zich slechts van één ding helder bewust: hij had niet moeten komen. Nog niet. Zij was nog niet bereid, niet gereed tot zooveel aandacht voor de dingen, die in deze maanden van afwezigheid onuitsprekelijk heerlijk ver waren weggegleden in haar herinnering. En waarom was hij gekomen? Telkens wanneer deze vraag in haar opsteeg, had zij een wrevelig gevoel van onwil. Hij had niet eens gezegd, dat hij naar haar verlangde, dat hij het niet langer uithield zonder haar; hij had niet zijn hoofd in haar schoot gelegd, ais zoovele malen thuis, wanneer hij moe was en haar raad of steun behoefde. Hij was zoo sterk geweest, zoo zeker van zichzelf; zijn bleek gezicht had haar zoo

vu j

Sluiten