Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EER VAN HET GESLACHT

Amalia [op 'n toon van allerdiepste geringschatting): Ik! Van de renbaan! Hoe verzint u 't?!

Hendrik: Daar hoef je niet zoo'n gezicht voor te zetten! Je trekt een snuit alsof ik veronderstelde dat je je vergooid had!

Amalia: Dat zou 't dan ook zoo ongeveer zijn, [in spanning) Maar.... is er soms opgebeld? Paul: Nogal een smachtende ziel!

Hendrik: Opgebeld? Daar zit ik juist den heelen middag op te wachten!

Amalia: Dacht u dat ik dat bedoelde? Of ik me daarvoor interesseeren zou!

Hendrik [razend): Wel duivels! Jij.... [zijn voet

optrekkend) Ah au! Sakker Een mensch zou

er zijn verstand bij verliezen! [Buiten muziek, zingen: xwaar de meissies zijn, daar is 't bal voor mijn«) Ik groet jelui, 't Is hier zoo'n gezellige boel. Ik ga naar m'n kamer. En denk eraan, als er getelefoneerd wordt, dadelijk waarschuwen! Is me dat 'n [foeterend af)

[Het zingen buiten klinkt sterker. Dan langzaam af.) Paul: Het volk zingt vaderlandsche liederen op zijn feestdag.

Amalia [heeft hoed en mantel afgelegd): Stom vee! Blerren en zuipen, dat kunnen ze. Dat zijn hun geneuchten! Van geestelijke vreugde weten ze niets,

Paul: Ze plukken het bloempje waar het bloeit,

Amalia [minachtend): Het onkruid dat beneden in de drek groeit! Wie wil er nog klimmen naar de lichte hooge toppen om de bloem van het geestelijk geluk te plukken?

Paul: Ik denk dat na een achturigen arbeidsdag de beenen daar te moe voor zijn, [Geeuwt, rekt zich, staat op.)

Amalia [onrustig): Heb jij den heelen middag hier gezeten? Weet je zeker dat er niet voor me getelefoneerd is?

Paul: Ik kan je verzekeren bij het weinige dat me heilig en dierbaar is....

Amalia [bladert in telefoongids): Ik begrijp 't niet...

Sluiten