Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT NIET MEER KON

De jonge man vroeg zich af, wat hier gebeurd kon zijn. Was dit Sofie van den Bogert, de stille, schuwe vrouw? Hij trachtte te verstaan, wat zij tusschen haar snikken door vertelde.

„Ik ben zoo bang , dat er een ongeluk is gebeurd

met Fransje, mijn nichtje Die is bij me gelogeerd en

nu is ze naar den Hoek. Ze zou meekomen met de bus van vijven...."

„Alleen?"

„Neen, met Martha Ouwerhand en 'r man en de kinderen. ..."

„Maar dan Ze zullen de bus gemist hebben. Ze komen met de tram van kwart voor zes."

Hij zei het op zoo'n stelligen toon, dat de ander verlicht opkeek. Daar had ze niet aan gedacht, aan de

tram Hoe hoopte ze, o, hoe hoopte ze, dat dominé

gelijk mocht hebben....

Wat een stakker, dacht hij. Dat blijft hier maar zitten en maakt zich van streek. Inplaats van nu eerst eens naar de overburen te loopen... .

„Logeert ze al lang bij u?" vroeg hij afleidend.

„Drie weken, vertelde Tante Sofie, en met een zucht vervolgde ze: „nog maar zeven dagen."

„Ik geloof, dat ik haar wel eens heb zien spelen."

„O ja," ijverde zij, „dat zal wel. Met de andere kinderen. Klaart je en Gijs van hierover. Daar is ze zulke goeie maatjes mee. Bij mij heeft ze niet veel, moet u denken."

„Ze is ook eens een keer in de kerk geweest. ..." zei hij. Een glimlach speelde om zijn lippen.

De oude vrouw boog het hoofd. Daar moest dominé nu liever niet over beginnen. Dien morgen, ze zou hem niet licht vergeten....

„Ja," vervolgde de jonge man met lichten spot, „ze

kon niet stil zitten. En ze liet haar boekje vallen Die

kinderen oök in de kerk, ze kunnen het toch nog niet alles vatten en het slot is, dat ze zich vervelen."

Even fronste hij de wenkbrauwen. Hij preekte niet voor kinderen. Het was een van zijn grieven tegen de dorpelin-

Sluiten