Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EMMA, DE BRUID

— En waarom waarom? Waarmee hebben we

dat verdiend!

— Wat hebben we óóit misdaan, om zóó te worden gestraft!

— Waarom, waarom moeten we voor eeuwig ongelukkig zijn....

— Huil niet huil niet als jij huilt, Irene, dan ga

ik heelemaal verloren.

— Ik huil niet, kind. Dat gun ik hem niet.

— Jij bent toch nog sterker dan ik.

— Ja, ik ben sterk....

— Ik hoor jou tenminste nooit twijfelen of klagen

Ach, steun me, help me....

— Wat kan ik doen?

— Laten we ons uitspreken tegen elkaar. Jij denkt óók aan hem.... dag en nacht....

— Ja.. .. ja

— Wie bevrijdt ons van hem?

— Dat kan alleen onze eigen wil.

— Neen onze wil kan 't niet. Misschien de tijd

— Als hij ... ons had versmaad, en 'n ander gekozen... daar zou ik overheen hebben gekund.

— Maar dat hij moeder lief kreeg

— Van alle vrouwen de onbeduidendste.

— De zwakste de sentimenteelste....

— Ze leek wel jonger dan wij.

— O, dat zachte, dat zoete, dat onderworpene van haar, hoe dikwijls hebben we ermee gespot

— En toen we Hans met haar in kennis brachten, toen dachten we niet anders, of hij zou haar óok beschouwen als 'n non-ens, 'n nulliteit hij, de Lebemann, de flirt

— Maar 't contrast van haar met alle andere vrouwen trok hem klaarblijkelijk juist aan.

— Ach, enfin.... dat zou misschien toch maar tijdelijk zijn geweest.... als zij niet óók van hem was gaan houden.

— En terwijl we haar vooraf gewaarschuwd hadden....

— Ja, ze wist onze afspraak, dat één van ons beiden hem nemen zou, zoodra we oud genoeg waren geworden.

Sluiten