Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DEN TWEESPRONG

nen vergoeden, — als hij haar maar nam in z'n armen!....

Verdomme! Dat kon hij, Bob Koenen, alleen, hij alleen, — op de wereld alleen hij!

Als het nu toch bleek, dat zij zich gebonden achtte aan den ander, — hij was in staat om haar weg te dragen van boord. Als ze niet wou, — hij zou haar in 't gezicht slingeren: „Wat verbeeldt jij je wel, — dat je 't buiten mij stellen kunt, — dat je met dien ander...." Gotogot!

Hij sloeg de handen voor de oogen! Zijn kop duizelde van al 't gepieker!

Waar was hij nu?

Was dat niet de zijweg naar den Boroboedoer? Hij had het niet eens gemerkt, dat ze Moentilan waren doorgerend!

Ja, 't was zooals hij dacht! Daar ergens, tusschen de heuvels, moest de Boroboedoer zijn. Nu ze er meer dwars van kwamen, zou hij kunnen aanwijzen, waar precies het bouwwerk boven de boomen uitstak.

De kou werd prikkelend; ze kwamen van minuut tot minuut hooger op in de vlakte, die nu door de late maan flauw werd beschenen. Hij keek om en zag den witten sikkel, koud en strak, die aan den helderen hemel was verrezen boven den Merapi.

En nu de indrukken van buiten af de fantasieën van zijn bewogen gemoed overstemden, werd hij kalmer eensklaps en bezon zich op het feit, dat op den heirweg reeds meer menschen waren en dat de chauffeur bij herhaling zijn waarschuwend getoeter had gericht op groepen passergangers — hier twee, daar drie —, die snel uitweken en stil stonden ver aan den wegkant, om 't vuurspuwend spook van den auto te laten voorbij snellen.

Onder 't wazige licht van de halve maan had de aarde zich, scheen het wel, opgericht uit het donker; de vlakte was bij scherp toekijken een heel eind te overzien; maar waar de Soembing er met zijn zuiveren kegelvorm uit oprees, links vooruit, was alles verdoezeld, verloren in het nachtelijk geheim van nevel en duisternis.

Daar was de Tidar ook al, de spijker, waarmee Java

Sluiten