Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DEN TWEESPRONG

zijn gezicht in de kromming van zijn arm — van schaamte, van namelooze ellende.

Hij verwachtte haar lachenden spot opnieuw; maar streelend gleed toen haar hand over zijn hoofd en haar stem was 't, die hem toefluisterde:

»Mijn Bod, mijn beste jongen! Is nu je halsstarrige trots gebroken?... - Eindelijk, eindelijk! Zie je Bob, — op dit moment heb ik gewacht.... Sta op en kom mee!«

In hartstochtelijk snikken barstte hij uit, — in haar armen werd hij tot een kind, een schooierend kind

In de houding waarin hij was weggezakt, hervond hij zichzelf in den wagen, die schudde onder 't zware ronken van den motor: ze gingen een steile helling op.

De Pinggit, flitste het door zijn hoofd.

Dat was al; hij keek niet om, hij bewoog zich niet, maar in den ban van zijn visioen hield hij strak daaraan vast en trachtte den zin te begrijpen van wat haar houding geweest was.

Maar dan veerde hij eensklaps overeind en zijn handen balden zich tot vuisten.

Nooit! dacht hij bij zichzelf! — Ik ben altijd de sterkste geweest en dat blijf ik, wat er ook gebeurt. Ik heb haar te zeggen, wat zij steeds voor mij is geweest, — zonder dat ik ooit ernstig aan een ander heb gedacht. Zij is het, die daar tegenover haar liefde voor mij heeft te stellen — want die is er nog in haar, net als vroeger — en haar verloving met een ander, — haar conclusie heeft ze dan maar te aanvaarden. Je bent nooit meer om me gekomen, zal ze zeggen. Welnu! nu kom ik, nog.... al is 't dan op 't nippertje!

Zoo stippelde hij de lijn uit, die hij tegenover haar wilde volgen, en rustiger in het versterkte besef, dat ze nog van hem hield, van hem alleen, smeet hij de wagendeur open en stapte uit.

Ze hadden de pashoogte van den Pinggit bereikt, waar de auto aan den kant van den weg tot staan was gebracht. In 't bijna volslagen donker kwamen vrouwen uit ongeziene hutten bezijden den weg aanloopen om uit aarden

Sluiten