Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DEN TWEESPRONG

eigenlijke stad aan, waar hij snel zijn weg vervolgde langs de lange sliert wagens van een vroege tram, die werklui bracht naar de plaats van hun arbeid aan het zeestrand, dóór, Bodjong op, met het eerste leven van den nieuwen dag op haar breede, vlakke baan. Dan het hotel, — hij had toch nog den tijd! Eensklaps stond hij er, vreemd in zijn jas, voor het kantoor van den administrateur, waar nog de electrische lampen brandden.

„Goeden morgen!" „Hé — mijnheer Koenen! U al hier?" „Ja! van Djokja, — een heele zit! Ik wou graag een kop koffie met een paar beschuitjes hebben, — over een half uur ga ik door naar de »Vondel« — en is er gelegenheid om me wat op te knappen?"

„Zeker, mijnheer! Gaat u hiernaast in nummer 4, dan laat ik u daar de koffie brengen, — de kamer is klaar! Een moment, ja?"

In de kamer liet hij het heldere water in het waschbekken stralen en ondertusschen nam hij uit zijn tasch zijn doos met zeep en een schoon boord.

Gretig dompelde hij zijn bestoven hoofd in het koele nat en wreef er met zijn zeepje een laag schuim op, dat het hem met vlokken van het aangezicht viel. Dat deed goed, — dat kwikte op. En terwijl hij zich afdroogde, bekeek hxj nieuwsgierig zijn clean-shaven gelaat in het geslepen spiegelglas boven het waschbekken en kwam tot de bevredigende conclusie, dat zijn uiterlijk gedurende zijn verblijf in Indië weinig moest zijn veranderd. Hij was nog dezelfde, die indertijd haar hart had gehad, geheel!

Een bediende bracht de koffie, hij hoorde het porseleinen servies neerzetten op het harde marmer van het tafelblad.

„Mijnheer uw koffie!" waarschuwde hem de man onder het bescheiden tikken op de tochtdeur. „Ik kom vóór, direct!"

Hij strikte zijn das over den slappen boord, wierp een laatsten blik in den spiegel en haastte zich naar buiten voor

vin 8

Sluiten