Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ROMEO EN JULIA

II.

Om de toegesloten feestkamers heen, waarvan de stemmen al in verre verten murmelen, — daar is het wijde, koele huis. Daar rijst de hal hoog boven de verloren uitliggende witte marmers, die door de zware, onbetreden vachten der tapijten zijn overspreid. Zij lijkt een avondkerk, met de donkere eiken banken langs de omwandingen, karig verlicht door den schemer van luchters, die flikkeren aan den ingang van het trappegestoelte. Boven het trapportaal glanzen de kleuren van gebrandverfd venster, beschenen door de verborgen godslamp der maan, maar het is of het parelt van innerlijk licht. Een lakei gaat eindeloos heen en weer, één voet op het tapijt en weer een op het marmer, staag geluid, als de val van een droppel in een schaal.

Buiten, achter de kanten gordijnen der reusachtige terrasdeuren het schaduwspel van de zacht-ruischende geboomten over de terrassen, die door geel maanlicht zijn overstroomd. Er is een onrust van wachting in alle dingen. De knecht sluipt langzaam naar de kapstokken, waar alle jassen en pelzen onder de geweien hangen als een verzameling prachtige huiden van geschoten dieren; hij gespt ze los van de pinnen en spreidt ze omzichtig over de eikenhouten tafel uit.

Ongemerkt is er beweging gekomen in de wereld buiten, een gedempt gestamp en gezoem van motoren. De lakei, in leege gewichtigheid, schrijdt met heupwiegende, dansende passen aan op de gebeeldhouwde deur van het feestvertrek, houdt haar met wijd-gespreiden arm terug, en roept, strak en sonoor, de namen: luide echo van het buitene, kil en vol wind, in het besloten feestvertrek. Veelheid van stemmen en stappen gaat nu allengs de hal bevolken. De voeten treden traag en de stemmen temperen zich, zoodra het halleruim haar schrikken doet voor eigen uitbundigheid. Een kring wellevende reisvaardigen omgeeft den glimlachenden gastheer, die buigt als een lakei, en handen drukt als een republiek-president. Tochten waaien aan door de

Sluiten