Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EMMA, DE BRUID

loofd met een man, dien zij niet liefhad en nimmer liefhebben kon.... (

In die eerste dagen harer verloving was alles zoo wonderlijk om haar heen.

Het was haar, of zij op een andere wereld leefde, waar alles haar zonderling aandeed, en alle verhoudingen een vreemde eenheid van tegendeelen vormden.

Liefde was haat en haat was liefde je verafschuwde den zoen, dien je verloofde je gaf, en kuste hem toch terug, en je lippen verbrandden niet in die huichelarij,

neen, ze bleven glimlachen, en lachten hèm toe je

verloofde.

Zij was dood-vermoeid en kon toch niet slapen. Zij wou ergens ver weg zijn en alleen, en zocht toch instinctief gezelschap van anderen op.... Het was haar, of haar hoofd hol was en leeg, en toch werkten haar hersenen met een zóó geweldige kracht, dat het dreunend haar slapen doorbonsde.

Zij vond geen oogenblik rust, zij dwaalde door het huis als een opgejaagde, en tot haar ijzigen schrik hoorde zij zich soms in zichzelve mompelen:

— Wat heb ik gedaan wat ben ik begonnen

wat ben ik begonnen....

Eens kwam zij door de antichambre, terwijl Alfred Pancras van Waveren op haar wachtte in den eersten salon.

Zij zag hem, zonder dat zij door hem werd opgemerkt.

Zij bleef staan, en keek naar hem.

Alsof zij vreemden voor elkander waren, zoo critisch keek zij naar hem. .

Hij stond voor een der ramen naar buiten te kijken, en zij zag zijn achterhoofd en zijn profiel.

Knap jazeker, hij was knap in den banalen zin

van het woord. Hij had de plaatjesachtige knapheid van een film-held, die, als hij zijn mechanische expressies niet voor het witte doek verricht, van een volkomen uitdrukkingslooze onbelangrijkheid is.

Een lenige dans-figuur. Keurig gekleed. Welverzorgde handen. Onberispelijk geschoeid. Zijn haar, gebrillanti-

Sluiten