Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERRE PRINS

op het boefje — poetst hij, om een voor Amke onverklaarbare reden, de plaat.

In de straat, die het verlengstuk is van de steeg, ligt het stallencomplex van de Van Boékhove's. Het omvat een smederij, een wagenmakerij en vier door openingen in de belendende muren met elkaar in verbinding staande stallen, waarin vooraan de wagens worden opgeslagen en achterin de boxen van de paarden zijn. De smederij is een hooge, holle, berookte pijpenla. Tusschen de palen van den hoefstal stampert er de nieuwkoop, een mooi Belgisch paard. Het is schichtig voor het onder het trekgat hoog oplaaiende vuur.

Hein, de wagenmaker, is aan zijn werkbank bezig. In een houten rolwagen aan zijn voeten zit zijn tweejarige kleinzoon, Janneman, een groot aanbidder van Amke.

„De jonge baas er niet?" vraagt ze, Janneman optillend, dat haar gezicht bij zijn onschuldige blauwe oogen komt en zijn lieve opengesprongen mondje.

„Boeme, boeme," stamelt hij, grijpend naar de anjelieren op Amke's witte jurk. Ze geeft er hem een en hij zit er zoet mee in zijn wagentje te spelen, het spelletje van: Ze bemint me, ze bemint me niet.

„Zonde," mummelt Hein.

Nee, de jonge baas was er nog niet geweest, misschien in de stallen. Hein is een vijand van veel woorden en een vriend en beminnaar van stroogele bakkebaarden. Hij is ook overgebleven uit den inboedel van grootvader Van Boekhove.

(Wordt vervolgd.)

Sluiten