Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN HET NOORD-LIMBURGSCHE LAND

mand durfde zich zelf nog veilig te gelooven. En bijzondere feestdagen vooral, zooals Nieuwjaar en Vastenavond, werden met schrikken en beven tegemoet gezien. Er was nu al

zóóveel gevochten, waar moest het nog op uitloopen?

Maar onverwachts en ongedacht kwam er een eerste ontknooping. Een stuk of drie jonge sterke kerels, wien het blijkbaar lang genoeg was, en die hun plan zorgvuldig onder zich gehouden hadden, traden op een Zaterdagavond plotseling handelend op, zij zoowel als Ties in volkomen nuchteren toestand. Alle vier waren bij den »scheerman«1) geweest, en toen Ties opstond om naar huis te gaan, gingen zij tegelijk met hem uit. En buiten »bewerkten« zij hem, weloverlegd, langzaam, met stevige knuppels, totdat hij alles bekende. Zonder den drankroes was er ook de koppigheid niet om zich liever »kapot te laten stampen« dan toe te geven. Wullem had hem opgestookt en betaald, en ook de anderen, voor alle vernielingen, baldadigheden en vechtpartijen. Maar hij had er nu ook genoeg van, al sinds hij

drie dagen voor Wullem de kast in gedraaid was!

De wacht werd hem aangezegd, als hij nog eens het hart had! Dat was echter overbodig. Bont en blauw geslagen, met den kop vol blauwe builen en zijn kleeren als vodden langs het lijf, sleepte hij zich naar huis, waar het dadelijk tot een woedende uitbarsting kwam; van Ties, omdat Wullem hèm met de stukken liet zitten, nu het potje gebroken was; van de Hannesboerschen, omdat Ties alles van Wullem had uitgebracht, en hij had toch altijd vrij drinken gehad, met nog geld erbij, hij, die toch de knecht maar was!... En met Paschen moest hij vertrekken. Nu was toch alles op straat gekomen.'

De procedure hing nog altijd en vorderde geen stap. De plagerijen tusschen de beide boerderijen gingen door met geraffineerde list en de veete groeide door dat dagelijksche voedsel aan tot een kracht, die in geen lengte van dagen meer scheen te kunnen uitsterven. De zucht naar gelijkhebberij verstarde aan beide kanten tot een koppigheid,

*) barbier.

Sluiten