Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VRIJ EN ONVRIJ

toch weinig schijnen te zien? Het woord »zenuwziek« komt in hem op. Zijn vrouw is zenuwziek. Nieuwe zorgen, meer geld.

„Kom," zegt hij, „waar is je broom?" „Beneden, beneden " dwingt zij, „zoek maar in het buffet."

Er is echter in die oogen van haar een uitdrukking, die hem een onbestemde vrees aanjaagt; beter is het haar niet alleen te laten.

„Och, ga toch naar beneden," smeekt ze. Even vrij zijn, een oogenblik vrij over zichzelf kunnen beschikken. Kinderen, plichten, zijn niet meer aanwezig; drukken haar niet. Eenmaal mag men toch vrij zijn. Waarom gaat hij niet? „Och, ga toch Willem," smeekt ze.

Besluiteloos kijkt hij haar aan. „Ik wil de broom wel halen, maar eerst moet je in bed, terug in bed."

Er is wat zachtheid en weifel in zijn stem; gewoonlijk zijn het vriendelijke bevelen, correcte bevelen; beslistheid in allerlei vorm. Alles heeft hij alleen geweten in hun huwelijk; in het gareel van zijn meeningen heeft zij gearbeid; in het gareel zijner opvattingen verliepen de vacanties. En nu stroomt een eigenaardig bloed door haar lichaam, bloed waarin een wil huist. Zij wil niet naar dat bed terug. Ze strekt haar armen naar omhoog, laat ze zakken met een plof. Een paar maal herhaalt zij die bewegingen. Of loopt heen en weer. Dan stoot ze 't hoofd tegen den muur, vouwt haar handen saam en brengt ze boven 't hoofd.

Van den Bogert is zijn bed weer ingegaan; waartoe midden in den nacht die gymnastische oefeningen, denkt hij.

Een diepe ademhaling volgt; groote zuchten schijnen haar te ontlasten, van een of ander gevoel te bevrijden.

„Zou het raam open mogen?" vraagt ze onderdanig, schuldbewust.

„Zeker, als je eerst je bed weer opzoekt." Aan den kant van zijn bed zijn de ramen. En zoodra ze ligt, opent hij het venster. Morgen, neemt hij zich voor, zal hij een zenuwdokter raadplegen; ze moet een tijdje weg, naar »Rhijngeest«, of hoe die inrichtingen heeten.

Sluiten