Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERZEN

HEUGENIS

Met bloemen kwam ze en teedren smartelach, Zelf, welke bloem in herfstlijk avondrood, Die me als een geur haar droef verleden bood. 't Was niet alleen haar leven, dat ik zag, Maar, stil en wachtende achter haar, den dood. Een weemoedsnet van herrefstdradenrag Omspon haar: 'k zag hoe 't rond haar leden lag, Vol dauw van tranen. — En mijn angst werd groot.

Zij had mijn zang lief; 'k las haar voor mijn lied. Mijn schatten gaf ik, heilig, lang bewaard, Haar hart verwarmde ik aan aan mijn hartehaard. En 'k werd zeer eenzaam toen zij mij verliet, Maar dorst niet klagen: Zij rees óp tot hem, Die, eiken nacht, haar riep met liefdestem.

TROOST

Tot blanken ringmuur vlecht ik samen de armen Van wie mij liefden éénmaal, éen voor éen.

In 't leven de éene, de andre in 't graf verdween. — U danken wil ik, niet om ontrouw karmen.

'k Wil vroom herdenken hoe me uw blik bescheen, Hoe koesterzoet me uw hartegloed kwam warmen, Altoos u loven om uw liefde-erbarmen,

Nu 'k op mijn tocht met Christus blijf alleen.

Als d' armen zwerver, moe van de avonddreven, Een bete broods, een koele dronk volstaan,

Een handvol stroo, in schuur of stal gegeven, Als weelde prijzende, oprijst, kalm voldaan,

Schrijd 'k moedig voort. — Naar Oost of West, om 't even! Wie Christus volgt kan zingend verder gaan.

Sluiten