Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PETERKEN

Ze had gelijk! Hij voelde het: ze had gelijk! Maar zijn koppige mannentrots kon niet berusten.

„Goed," zei hij. „Jij mag me haten of jij me haat of

niet, dat blijft precies hetzelfde Ik heb hier toch een

hel zoolang jouw kind hier is, heeft 't leven voor mij

geen waarde meer...."

Zoo vergingen de weken. Het waren weken van openlijke vijandschap, ontstaan door zijn groote, sterke liefde. Het waren weken waarin ze volkomen naast elkaar leefden, als vreemden die elkaar duldden omdat ze nu eenmaal niet anders konden, maar eiken dag verder van elkaar af kwamen te staan. Het leven was voor beiden waardeloos geworden.

Peterken ondervond den invloed van de tweespalt, zonder haar te kunnen realiseeren. Intuïtief voelde hij dat het om hem ging. Tijdens zulk een zwijgenden maaltijd kon hij verwonderd van de een naar den ander staren en plotseling vragen:

„Mama, ben je boos op Pap?"

Ze kleurde dan en streelde hem door 't haar, of maande hem tot eten. Maar eens deed hij de vraag: „Houdt Papa niet van mij?"

Zijn stem klonk dringend en zijn oogen staarden strak. Een brandend rood gleed over haar gezicht.

Daan streelde even zijn gelaat. „Jawel, mijn jongen," zei hij luchtig. „Natuurlijk wel! Hoe kun je zoo mal vragen?"

Maar het kind hield aan. Zijn zwakke oogen keken hulpeloos van den een naar de ander. Ze leken haast te zwemmen in de groote kassen. Het ziekelijke oude-mannetjesgezicht scheen om hulp te smeeken.

„Ik.... ik -..." bracht hij uit. Tranen kwamen te voorschijn, achterlatend breede voren op zijn ingevallen wangen. „Ik ik Pap ik kan 't niet helpen kan

't niet helpen...."

Medelijden welde in hem op. Hij had behoefte met het

*ind te praten met hem naar boven te gaan. Lily was

hem voor. Met een ruk stond ze voor hem en legde beschermend haar arm om Peterkens hals.

Zoo bleef ze even staan, het hoofd achterover, de oogen

Sluiten