Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VRIJ EN ONVRIJ

ders. Toen was er ineens dat wat bond, dat van de hei. Alle kritiek zonk neer.

Dienzelfden Zaterdagmorgen betrapte Henri Kroon zich erop, zijn beste werk voor den dag te halen; oude, goede dingen sleepte hij naar voren, stelde ze in een willekeurige wanorde op, alsof de doeken toevallig daar zoo stonden. Het was hem, of hij zich tegenover den aanstaanden schoonzoon als schilder moest kunnen handhaven ten einde dat als vader te kunnen doen.

Toen Merens echter kwam — hij ontving hem op 't atelier — was hij slechts waakzaam een indruk op te vangen van den mensch. Wat hij als schilder beduiden mocht, zonk in hem neer. Goed van wil en bedacht op het meest gunstige, dat hij in den huwelijkscandidaat zou ontdekken, was hij gerustgesteld met een normalen jongen man kennis te maken, die veel plezier in zijn vak scheen te hebben en er geducht over kon praten. En daar de angst voor deze ontmoeting zoo diep was geworteld en het nu meeliep — een gezonde, eenvoudige vent leek hij, deze Henk Merens — werd Kroon van een weeke, onpersoonlijke toegevendheid. Vond Merens de Haagsche School niets? Nu ja, elke generatie heeft zijn eigen kunst....

„Ja maar," hield de aanstaande schoonzoon terug, „met Toorop bijvoorbeeld dweep ik; die moest een internationalen roem hebben!"

„De vooraanstaande Haagsche School-meesters hebben dien, maar Toorop heeft dien niet," constateerde Kroon droog.

„Houdt U niet van hem?" vroeg Merens, als in een schrik.

„Van den mensch Toorop hield ik heel veel, van zijn kunde, 't gemak waarmee hij alles aanpakt, 't genie waarmee hij in elke teekening dat directe overeind zet, waar 't om gaat; van zijn kleine etsen houd ik vooral en van zijn vroeger schilderwerk. Om met een schilderij als »De Génération nouvelle« te dwepen, ben ik zelf te veel: Haagsche School, vrees ik. Toorop viel buiten deze school. En al die heiligen, die tegenwoordig tot in 't kleinste boekwinkeltje voor 't raam hangen in hun naargeestig ascetisme en hun

Sluiten