Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WOUTER

bestormen vanochtend, en nu week zelfs dat hooggestemde gevoel van daarnet. Week weer, terwijl het in hem loodzwaar werd.

Hij viel terug in zijn stoel en keek naar buiten. Seconden werden minuten, waarin hij niets kon zeggen. Hij voelde zich zooals in zijn kinderjaren, toen dat kleine meisje met den witten strik in het haar hem had geslagen en hard uitdagend gelachen, toen hij haar krullen had geaaid. Net of zijn gevoel daar lag als een verschrompelde papieren bloem.

Evelien had niets gedaan; aan haar lag het niet.

„Zoo droomer, je bent nog altijd dezelfde. Je kijkt zeker naar de witte roos, hè? Die groeiden in jullie tuin,"

Een blijde lach trok over zijn gezicht. Dat was weer zijn Evelien. Hij keek op en schrok. Ze stond uitdagend naast hem.

„Woutertje."

Wouters handen voelden klam en stijf en zijn blijde lach trok samen tot een grijns van verbeten leed. En hij hoorde weer zachte meisjesstemmen vèr weg in het verleden luchtige plannen bedenken, terwijl de morgenwind door den tuin ging.

„Malle droomer!"

Dat was zijn Evelien niet. Waar was de begrijpende, wijze vrouw? Waar was het kleine beetje weemoed, waar het geestige begrijpen, dat schuchtere oogenspel?

Of was het dat niet, wat hij zocht? Zocht, zocht.... Zocht hij wel, of wist hij het zelf niet? Wat deed hij hier? Plaagde ze hem?

„Evelien!"

Ze wist niet hoe ze het had. Frans had gelijk, de jongen kon werkelijk verwezen doen. „Ja?" vroeg ze.

„Evelien, ik moet weg. Het wordt te laat met den trein. Ik e...." In eens leek hij zooveel jonger, net de kleine Wouter van vroeger, jaren geleden.

„Je bent niet lang gebleven."

,Nee, ik wilde je alleen bedanken voor dien gezelligen

Sluiten