Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

JAAP STUURMAN ALS LANDKRAB.

rond kon komen, en niet in 't werkhuis behoefde te gaan.

Als een idéé fixe had dat plan zieh op den voorgrond geplaatst in haar denken, nadat het eenmaal gerijpt was. Met stugge volharding was ze in den zomertijd, nadat ze haar vee bezorgd had, nog tot diep in den avond voor enkele centen gaan werken op de akkers van een paar keuters, die in de buurt van 't kasteel woonden; met opoffering van eiken schijn van genot was ze op kermisdagen, als alle anderen zongen en lachten bij de harmonicamuziek, met haar breikous gaan zitten in 't hokje dat haar tot slaapplaats diende, om met steeds harder gejacht het aantal steken aan de loonkous zoo groot mogelijk te maken; met uitschakeling van de zucht tot voldoening aan de allermatigste eischen van weelde, was ze haar werkkleeren gaan dragen tot ze haar als vodden van 't lijf vielen, had ze haar zondagskleed geflikt tot het een Jozefsrok geleek. Maar naarmate het aantal jaren dat haar rug deed krommen grooter werd, was haar stemming luchtiger, haar hart lichter geworden. Want met iedere nieuwe Meimaand, als ze haar loon over 't afgeloopen jaar beurde en 't uittelde bij 't weinige dat zij met bijwerk verdiend had, was ze vaster overtuigd geworden dat ze 't einddoel van haar streven zou bereiken, dat ze onbekommerd het einde kon afwachten, als 't eindelijk zoo ver kwam met haar, dat ze de zorgen voor 't vee aan anderen moest over doen. Dat bewustzijn had de lust om te zingen, die in haar gestorven scheen toen ze na den dood van haar vader de algemeen verachte betrekking aanvaardde, opnieuw gewekt de laatste jaren, en 't galmen van haar hooge stem klonk door de varkensstal, waarin Jaap haar bezig vond, daags nadat hij bij Sieuwert om inlichtingen was geweest.

„Hei wicht, hou je es even stil, kennen die beesten 't alleen niet goed maken?" schreeuwde hij boven haar stem en 't gegier der varkens uit, die achter de teruggeschoven deksels van hun troggen hunkerden naar nieuwen voorraad voor hun grage magen.

Trien stond, den rug naar den ingang gekeerd, in gebukte houding ijverig te roeren in een grooten bak met slobber. Nu ze een menschelijk geluid achter zich hoorde, hield ze op met zingen, tikte den roerstok schoon op den rand der bak en keerde zich om.

„Wat zeg je?" vroeg ze.

Sluiten