Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

HET GELUK DAT BLEEF.

zijn. Je kon 'fc vooruit op de knoopen van je jas maar niet uitrekenen, hoe alles gaan zou. En hij maakte zich bang met voorbeelden van nette, jonge mannen, die door een vrouw er onder gebracht waren, die te gronde gingen, failliet, in. de gevangenis. Hij had er immers van gelezen en van hooren spreken .Een vrouw was als een sphinx, iets absoluut-raadselachtigs, iets ontzettends!

0 neen, een ondoordachte daad was 't wezenlijü niet van hem, toen hij verliefd werd op de mooie kindermeid van graaf Manelli, toen hij liefde voelde in zijn ziel, vreemd-zingende, dronken makende liefde, — al was zij hem eigenlijk veel te dik en al was zij minstens een hoofd grooter dan hij — had hij zich verdedigd, had hij tegengestribbeld. Hij had zich gedwongen, om eerst na te denken. Zou zij het bestaan willen deelen met een klein kleermakerij e? 't Was toch te gek, om zich dat te durven verbeelden, te overmoedig.

Maar 't had hem niet gebaat. Onwederstaanbaar had Victorine hem aangetrokken. Als hij een broek, die hij had mogen opstrijken voor den graaf, netjes ingepakt in een smetteloos wit laken aan de villa af moest geven, zorgde hij er voor, dat hij haar even te zien kreeg. En dat was niet moeilijk, 't Was of zij voelde, dat hij komen zou. Zij verscheen altijd in het achterportaal, waar hij wachten moest en lachte tegen hem. Zij hoorde dan geduldig zijn praatjes aan, en antwoordde hem met veel omhaal van woorden. Later liet zij zich het hof maken; hij moest haar wel vragen. En toen zei ze dadelijk ja. Zij zag direct in, dat zij als kleermakersvrouw gelukkig kon zijn, gelukkiger dan de gravin zelfs, die wel eens ruzie had met haar man. Heel de idylle van hun zuinige bestaan tooverde zij hem voor. Zij had alles vooruit gezien, zooals 't ook gebeurde.

Later vroeg Emanuel haar wel eens, hoe dat kwam. Zij glimlachte dan, — zij glimlachte vleezig. — „Ik weet 't niet, mijn geliefde, maar 't is eenmaal zoo." En hij voelde voor haar dan nog grooter bewondering. Wat een vrouw was die Victorine toch, die de toekomst in haar handen droeg. Was zij niet een godin gelijk, alwetend, alles-beheerschend!

Gelukkig waren Emanuel en Victorine, zalig-gelukkig. Zij verteerden steeds maar geluk in hun laag-zoldersche werkkamer, verkwistend, net of 'tniet opkon. Het werk gebeurde van zelf

Sluiten