Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

96

HET GELUK DAT BLEEF.

Daar stond een bank, steeds hun eerste rustplaats. Zij vielen er op neer. Heel vroeger, toen zij pas getrouwd waren, drie weken misschien, had hij daar met zijn mes een sierlijk hart ingesneden, en de beginletters van hun namen er in, een E. en een V. De bank was sinds dien tijd nog al eens opgeverfd, maar hij had zijn kunststuk steeds hernieuwd. Hun bank was 't, zij hadden het recht er hun initialen op te zetten.

Van die bank had men een heerlijk uitzicht tusschen de boomen over de vlakte. Dichtbij kronkelde de weg, die nu stoffig leek en waar de menschen voorbij liepen, onwetend van het mooie, dat zoo vlak naast hen lag. Verder op waasde de stad met haar vele kerken, waarvan de klokken begonnen te luiden, plechtig en veraf. En daar tusschen de groene weilanden, de gele korenvelden vol witte vruchtboomen en poëtische hut-huisjes. Was 't niet wonderbaarlijk, was de wereld niet weemoedig-mooi.

Als zij dan een uurtje gezeten hadden, trokken zij verder. Hij nam al de pakjes op, haar taschje en haar mantel; zij hield niets als de voor bergstok nuttige paraplu. Weer ging 't een eindje naar boven, weer hijgde zij zwaar. Maar gauw kwam er nu een vlak weggetje, ging 't zelfs een eind naar benee. 't Was het meest romantische laantje van de wereld. Hij kon 't dan ook niet laten, haar zijn liefde te verklaren, haar eerbiedig te danken voor zijn levensgeluk. Zij glunderde goedmoedig, zij genoot van zijn hulde. Op een plaats plukte hij altijd een paar bloemen en bood haar die aan, één deed hij er in zijn knoopsgat. Liefst roode bloemen zocht hij uit, vurige anemonen, rood was immers de kleur van de hartstochtelijke liefde.

Een tweede bankje was hun tweede rustplaats. Verscholen in het bosch, was er van daar niet veel te zien. Maar zij voelden er zich alleen, ongestoord op hun eigen buiten, zei hij wel eens. Zij openden dan ook gauw hun pakjes en ontbeten voor den tweeden keer. Tehuis was er door de drukte immers niet veel van gekomen. Wat smaakte 't goed zoo in de buitenlucht. „Als wij altijd hier aten, zou ik nog veel dikker worcen," was haar steeds-terugkeerende grapje. Zij aten een paar broodjes en een ei en meest nog iets zoets na. Uit de veldflesch moesten zij dan even drinken.

Maar lang duurde die tweede rust nooit. Hij was verlangend op de plaats van hun bestemming aan te komen, jachtte haar een

Sluiten