Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE VROUW.

149

ven, aan geen ander meer te denken dan aan mij. Ik hou zoo van je. Ik ben er zeker van, dat ik ook na mijn dood om en bij je zal zijn. Mijn oogen zullen je gadeslaan, mijn handen je streelen. Ja, je moet alleen voor mij blijven. Geen andere vrouw mag er zijn, waar ik geweest ben, geen ander wonen in dit huis, waar we samen gelukkig waren. We hebben geen kind, hoe vurig ik ernaar verlangde.... Als je een kind van mij had, zou je me niet kunnen vergeten! M'n liefste, je moet me niet slecht vinden.... Ik kan het niet dragen, te denken dat hier een andere vrouw zal komen in mijn plaats, dat je een kind van haar zult houden in je armen! O, als ik denk aan zoo een kindje, een kindje niet van mij, waarnaar je je armen uitstrekt, ik geloof dat ik zou terugkeeren uit mijn graf om het van je weg te rukken! Hoe ik haar nu al haat, de vrouw die je zult liefkrijgen... .hoe ik haar haat! Maar wat plaag,

wat martel ik mezelf voor niets Jij hebt immers mij lief,

mij alleen, voor altijd, niet waar? En morgen, als ik je dezen dwazen brief toon, zullen we samen lachen om mijn armen dommen angst, morgen....

Hier eindigde het schrijven, en het leek Josien of ook in haar iets afbrak.... Een poos bleef ze als in gedachten zitten, dan vouwde ze hem samen en legde hem weer in de lade van het schrijftafeltje, wetend dat ze dezen brief nooit had mogen lezen.. Ze wreef haar handen tegen elkaar; kil als ijs waren haar vingertoppen. Als vervreemd voelde ze zich, maar één gedachte helder in haar, dat ze naar beneden moest, zich warmen — ..

Bij de kamerdeur bleef ze talmend staan alsof iemand haar tegenhield, onzeker blikte ze rond zich. Reeds zoog de klamme schemering zich vast aan het venster, de blauwe kamer, dadelijk vervaald nu het daglicht taande, lag als vol van sombere geheimenissen. Suffig verbaasde Josien zich over de eigen kalmte; als nu uit gindschen hoek, waarin al grauwe waden zich weefden, plotseling de kleine vrouw ware te voorschijn getreden, de armen dreigend naar haar uitgestrekt, ze zou geen stap zijn teruggeweken, al voelde ze zich beschaamd haar brief te hebben gelezen. Ook zij had haar rechten, zij, de levende, had immers Herman lief. De andere was dood ? Wachtte zij niet zijn kind ?

Toch gleed bij dit bedenken een rilling haar langs den rug, als

Sluiten