Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE VROUW.

171

lijk de trein binnenstoomde, ze met Josien plaats kon nemen in de verlichte, verwarmde coupé. Er bleef nauwelijks tijd voor Josien, van Herman afscheid te nemen; een haastige omhelzing, een paar vluchtige woorden, en de trein reed al voort, op stad aan.

Vanuit haar vroegere meisjeskamer, blank en rose als een nestje van weligheid, zag Josien uit op de drukke straat waarin haar ouders woonden. Van den vroegen morgen ratelden de trams beiklingelend langs, soms trilden de ruiten van het dreunend wielgerol der jachtende karren. De huizen aan den overkant lagen hoog en massief, gelijk gerijd, ze waren van grijzen steen, en boven de daken wist Josien de lucht effen grauw, zooals die zich buiten welfde over de vlakke heidevelden, want geen goudgeflakker van zon kaatste tegen de gevels of deed de heldere vensters blinken.

Na de eerste dagen, waarin het warrelend straatbeweeg haar oogen nog vermoeide, zat ze nergens liever dan voor het venster van haar eigen kamer. Het leek haar, alsof het ruchtig gerij, het gewemel der voetgangers, aan haar gedachten de rust verleenden waarnaar ze daar buiten tevergeefs haakte. Het werd haar een telkens vernieuwd genot, te staren naar al de bekende en lieve dingen om haar, even zoovele herinneringen uit haar onbezorgde meisjesjaren. Hier had ze ook gezeten en haar eerste liefdesdroom gedroomd over Herman, hier zijn brieven gelezen en eindeloos vele malen herlezen, tot ze bijna elk woord, elk lettertje van zijn handschrift van buiten kende....

Naarmate al deze liefelijke herinneringen in haar oprezen, raakten meer en meer op den achtergrond de schimmige droombeelden, de vage angsten die haar toch zoo kwelden ginds, in het verre oude doktershuis. Niettemin bestonden ze nog en konden ze elk oogenblik terugkomen. Maar hier, in deze lichte, veilige woning, de woning van haar ouders, zouden ze haar toch verre blijven Al wist ze ook, zoo zeker als de heugenis aan een doode bijblijft tusschen de levenden, dat het daar buiten wachtte

Het deerde haar nu niet. Alles stemde hier zoo rustig, alles zoo zonder geheimzinnigheid en zonder bijgedachten. Hier hoorde ze thuis, voelde ze zich de eerste, de eenige. 's Morgens in de lichte

Sluiten