Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194

JEUGD-HERINNERING.

om geen nul op te loopen; en begreep van algebra en meetkunde nog minder dan het zwarte bord. Toch paste ik wel op voor onvoldoende's; mijn voorland stond immers vast: schooljuffrouw! ik móest dus wel leeren; en dan ook, de vrees voor slechte cijfers op het rapport, dat door mijn strengen voogd voor gezien moest geteekend worden, hield er behoorlijk den wind onder. Zoo werkte ik niet anders dan voor repetitie-cijfers. Een droog en dor leven, met niets joligs er in, geen pretje, geen ontspanning. De droefheid van ziekte en dood had reeds een zwaren stempel gedrukt op het jonge, teedere gemoed.

Als ik toen de klassieken, die wij zoo ijverig op school bestudeerden — het was een meisjes-H. B. S. — wat beter begrepen had, hadden hun hooge, wijze gedachten mij misschien kunnen troosten en opbeuren, maar ik begreep net zooveel van Eacine en Corneille, en Shakespeare en Goethe, dat ik er voor een repetitie een ternauwernood dragelijk opstelletje van in elkaar kon prutsen.

Och, die H. B. S., waar ik me nooit thuis heb leeren voelen, waar ik nooit mezelf ben geweest! Ik voelde me altijd de vreemde eend in de bijt, die er per ongeluk, midden in een cursusjaar, was ingerold. Zoo, wat stijfjes, wat boersch, uit een klein provinciestadje te midden van de losse, ongedwongen jeugd van een groote stad. Daarom was het ook een dubbele verlossing, toen ik door het eind-examen was, en ik eindelijk mijn vleugels zou kunnen uitslaan in eigen, vrije studie. Nu zou ik kunnen toonen, wat ik kon en waartoe ik bij machte was, nu geen rapporten meer, geen repetities, geen band meer! Het onderwijs-examen lag nog in een verre toekomst, en ik voelde me danig opgelucht.

Zoo moet ik bij je zijn gekomen, hupsch en fleurig: de dikke vlecht nog jeugdig opgebonden in den nek, een paar weerbarstige krulletjes langs de slapen, en de oogen stralend naar een nieuw verschiet.

Het diploma H. B. S. had ik in mijn zak, waar ik nu toch wel grootsch op was, en ik vroeg je of je me les wüde geven voor de lagere acte. Mijn voogd had er zijn financieële goedkeuring aan gehecht, dat was de man van de duiten, en zoo kon ik onder zeil gaan.

Wat was jij toen al een deftige mijnheer, leeraar, met middelbare acten! Vol bewondering keek ik naar je op, naar je hooge,

Sluiten