Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEUGD-HERINNEKING.

201

eens vlak naast mijn stoel, en staande boog je je over mijn boeken. Dan sloeg je even, licht, je arm langs mijn schouder en streek je door de krulletjes in mijn nek. Dan, terwijl je even, heel zachtjes maar, mijn hoofd tegen je aandrukte, gaf je me het volgende werk op, altijd maar weer nieuwe lessen.

Zalig van geluk ging ik dan naar huis toe. Ja, je moest toch wel een beetje van me houden, van mijn persoontje; was je hand niet liefderijk door mijn haar gegaan, en hadden je oogen niet vertrouwelijk in de mijne gezien? Dan straalde ik van blijden trots, dan lachten mijn oogen, dan wilde ik iedereen op straat wel vriendelijk goeden dag zeggen, dan draaide de wereld voor mij, en om mij alleen. Dan liep ik als een veertje zoo licht, dan voelde ik me eens zoo jong en eens zoo sterk, en dan was al het leed van vroeger, van ziekte en dood, vergeten, dat bestond niet meer. Ik leefde alleen het nu, het tegenwoordige, en ik was volmaakt gelukkig.

Toen, nog dichter bij het examen, moest ik proefwerk voor je maken, en je stond er op, dat ik dat bij jou in je kamer zou doen, dat ik je niet kon foppen met thuis de boeken na te slaan. Dan kreeg ik een bepaalde opgave voor een beperkten tijd, en liet je me alleen ploeteren aan de groote, vierkante tafel, midden in je kamer. Was ik binnenstijds klaar, dan mocht ik snuffelen in de open boekenkast achter me, — lange rijen boeken van den grond tot aan de zoldering opgestapeld, — en ik behoef je zeker niet te zeggen, dat ik daar een gretig gebruik van heb gemaakt. Daar stonden onderaan de meest vervelende methodische leerboeken en de hatelijkste algebra- en meetkundestudies, terwijl van boven af de rijk Igeïllustreerde Andersen's sprookjes en het lieflijke, onschuldige Gretchen van Faust verleidelijk naar beneden blikten. Die doodgewone, open boekenkast, die was om er niet van te scheiden. Eens, boven op een stoel staande, met den elleboog op een plank steunend mijn hoofd, verslond ik „De kleine Johannes"; ik wist van tijd noch eeuwigheid, en als je huishoudster, dat antieke nummertje, me niet gewaarschuwd had, had je me zoo verrast. Het brave menschje vond het blijkbaar wat een heiligschennis, dat ik zoo maar ongegeneerd in mijnheer zijn boekenkast zat. Toen draafde ik naar huis, met een chaos van gedachten, dwarrelend door mijn hoofd.

x 6

Sluiten