Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEUGD-HERINNERING.

201

met je mee. Dat was het eenige, wat mijn vreugd vergalde. En aan den anderen kant vond ik het — en vind ik het nu nog — zoo bijster lief van je, dat je me zóó meenam, in een groote zaal, met veel publiek. En dien avond, toen je me naar huis bracht, en we alleen liepen in de wijde, leege straten, en niemand meer die nare, korte haren van me zien kon, toen voelde ik me zoo dankbaar en zoo blij-gelukkig, dat ik maar weinig woorden vond om te praten. Ja, het begrootte me, dat je om mij zoo'n eind moest omloopen, ik had best alleen thuis kunnen komen, maardaarwildeje niets van weten, en zwijgendliepen we voortindenachtelijkestilte.

Dat is al lang, heel lang geleden, maar ik zie ons nog gaan, wij beiden alleen, onder de fluisterende blaren van de boomen langs een gracht met de fonkelende sterren boven ons hoofd. Het oude verhaal van twee menschen, die elkaar verstonden,.... of.... niet? Toen —het examen was achter den rug—kwamhet afscheid, een doodgewoon, bijna een koel woord tot groet. Erwasniets meer te zeggen: het werk was afgeloopen; had ik iets méér verlangd?

Eerst toen ik alleen was, de volgende dagen en weken en maanden, eerst toen werd het me duidelijk, dat ik een diepe vereering voor je in me omdroeg, en in groote behoefte tot aanhankelijkheid, bouwde ik die op tot een zuivere liefde. En onnoozele, die ik was, ik kwam je dat op een avond zelf bekennen. Wat moet ik toen dwaas hebben geleken in jou oogen! En wat een zegen, dat jij wijzer en verstandiger was, en mijn genegenheid beter doorgrondde dan ikzelf. Vereering best, hoogachting prachtig, maar liefde is iets gansch anders. Met een paar hartelijke woorden, wat goeden raad, heb je me toen de wereld ingestuurd, gansch alleen, op eigen beenen. En natuurlijk heb ik de eerste tijden me heel eenzaam gevoeld, en torste ik een zwaar verdriet met me mee. De wereld, die een oogenblik zoo zonnig had geleken, was weer grauw en somber geworden, zonder kleur, zonder glans. En men vond, dat ik zoo stil en zoo oud was geworden.

Toen, na maanden van droef terneerzitten, eischte het jonge, veerkrachtige gemoed zijn rechten op, en stortte ik me hals over kop in het wilde, rumoerige leven, en schepte me er een eigen Sturm und Drangperiode. Toen dorstte mijn hart naar kennis op maatschappelijk gebied, toen zocht mijn ziel de duistere wegen na te sporen, waarop verderf en onheil welig tieren. Toen bezocht

Sluiten