Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

210

SOLDATENKINDEREN.

teren en denken, aldoor denken aan zijn vader, die ver weg is.

— Morgen om vijf uur weer hier mannen, die niet present is, vecht niet mee! commandeert hij, en nu alles gepakt en naar huis met muziek. En alle negen, de generaal voorop, de trommelslager, beukend op een leege inmaakbus met pollepels, volgend, dan de corporaal met de vlag en vervolgens twee aan twee de soldaten, marcheeren ze naar hun huis, waar de moeders wachten op de dapperen. En Piet weet, als de klok half slaat, dat grootvader den bijbel openslaat en op zijn horloge kijkt omdat hij, de jongste er nog niet is. Nogmaals met een sabelzwaai vuurt hij zijn troep aan tot versnelden pas, slechts vervuld nu van één gedachte: van avond niet te laat te zijn.

'K HEB ALS EEN ADELAAR

DOOR

E. G. VAN BOLHUYS.

'k Heb als een adelaar mijn vlucht geslagen en opgestreefd naar 't enig grote licht; 'k heb in mijn boezem groot de moed gedragen en opgevoedsterd tot een bandloos wicht —

De hemel stiet mij af, ik lig verslagen — op 't overwachts trof mij de donderschicht — Omlaag — omlaag — geveld in 't grootse wagen — Wie is er, die voor overmacht niet zwicht?

Niet, dat ik faalde is 't, dat mij doet klagen; niet, dat ik viel van hoger macht gericht, niet, dat mijn wieken mij nooit weder dragen is pijn, maar dat mij onmacht eeuwig plicht.

Sluiten