Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

UIT DEN OORLOG.

Marius bewoog zich niet. Toen hij het commando hoorde en het koord roeide waarmede zijne handen hem op den rug gebonden werden, had hij willen opspringen en uitroepen, dat hij niet schuldig was, dat op niemand zou geschoten worden, maar hij lag geknield, hij wist dat hij niet spreken zou kunnen, zijn tanden bleven op elkander geklemd. Heel zijn wezen was teruggeschrompeld in een akelige bevangenis van doodsangst, die alreeds een zieltoging geleek. Hij zou de kracht niet hebben gehad zich op te heffen nu het einde zóózeer nabij was. Het was hem alsof alreeds zijn ziel zich losscheurde van zijn lichaam in schriklijke pijnen, wanneer hij dacht aan het steeds nader komend oogenblik, waarop het stroeve commando zou weerklinken, waarop de kogels hunne gemartelde lijven gingen treffen. En die gedachte folterde met helsche zekerheid gestadig. Onophoudelijk keerde de scherp gespitste aandacht op die eene verbeelding: hoe het zijn zou, wanneer de kogels hunne lichamen, hun hoofden zouden doorrijten en vernielen, en wat daarna in den dood misschien nog komen zou aan smarten. En zoo doorleefde hij in mateloosheid van afgrijselijke voorstelling, de gruwelijkheid van den komenden, den met ieder oogenblik nader komenden moord. Eerst zou de oude man vallen. Hij zag hem met uiteengeslagen hersens, midden het salvovuur van dichtbije schoten zonder geluid voorover ploffen op de steenen in een stroom van bloed uit vele wonden. En dan zou misschien weer gewacht worden, en dan gelijktijdig? of een na een? zouden zij vallen. Ondanks zijn vervaardheid nam hij nu een oogenblik heel scherp alle dingen waar. Op de deur van een verlaten woning waarvoor zij geknield lagen, stond in Duitsche letters met krijt geschreven: „Oberleutnant Heller"; hij bemerkte dat een kleine man naast hem prevelend bad, en hij herkende een priester in zijn zwarte kleed. De soldaten stonden in de rusthouding, hij vermeed het naar hen te zien, maar hij zag toch de weeë, vuil grijze kleur van hun bezoedelde uniformen, en hij hoorde het slijpend schrijnen over de steenen van hunne ijzerbeslagen schoenen, wanneer zij hunne voeten verplaatsten in het gelid. De glooiende velden, waar het gele koren onafgemaaid stond, trilden

Sluiten