Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DEN OORLOG.

269

schrik voor wat misschien nog komen zou, hem weer waken. Hij wist dat hij leefde, maar in welke duldelooze vreezen. Hij dacht er niet meer aan, dat het mogelijk zou zijn zich nu bij den wachter kenbaar te maken, zij hadden hem in al de vreeselijke, voorbije uren tusschen de mannen van Leuven gezien, hij was één hunner, een der verdoemden, zelfs wanneer hij nu sprak zou hij het lot der anderen misschien alleen verergeren. Nog altijd had hij het verlamde gevoel, zijn tanden leken nog verstijfder opeengeklemd, het weinige voedsel had hij zich in den mond geduwd, en na eenigen tijd doorgeslikt, en dan haastig had hij het water doorgezwolgen. Het verkwikte hem een weinig, maar nu voelde hij ook zoo schrikbaar duidelijk de vreeselijke bonzingen van zijn hart, en hoe een zware drukking in zijn hersens hem martelde. Dan moest hij in altijd wisselende orde den gang der gebeurtenissen zich nieuw verbeelden. Gestadig keerde het, durend en met altijd nieuwe herinnering en nieuwe benauwende voorstellingen, totdat een duizeling hem overmande. Hij wist niet meer wat er met hem gebeurde. Hij voelde zich als in een koele, donkere onbewustheid, waarin snel alles tot niets verschrompelde, in niets uiteen viel

Het bleeke licht van de Augustusschemering drong in de kerk van Campenhout, toen Marius uit die verdooving tot zich zelve kwam en dra de schrikbare, wonde herdenkingen in hem keerden. 1

Het was nog vroeg in den morgen maar door de vensterbogen drong roode gloed van de ochtendzon en nu ontwaarde hij ook de verschrikking van den aanblik der mannen van Leuven, die in hunne 'goor bestofte kleederen en vervuilde bezoedelde gelaten, overal in de kerk waakten, voorovergezakt, gebogen of knielend voor hunne stoelen.

De eveneens gebonden gijzelaars van Campenhout zaten het dichtst bij de soldaten, >die nu uit het stroo waren opgestaan en waarvan er een zich door een zijingang buiten de kerk begaf. Kort daarop keerde hij terug, en naast hem liep de onderofficier.

Deze bleef een wijle als besluiteloos voor het altaar staan

Sluiten