Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

282

POËZIE.

En angstig liet ge 't schoone donzen hoofd aan mijnen schouder zinken, doch ik kuste de vreezen van Uw blanke voorhoofd weg. Al langzaam dreef het onweer naar de zee; nog flauw flikkerde 't weerlicht in de verte, de stem des donders was verrommeld en de regen ruischte niet meer door de struiken. En zaalge rust was in ons weergekeerd. —

Nóg schooner bijna was de witte winter. Vroeg in 't seizoen dan toog ik uit, den bijl op mijnen schouder torsend, en ik hieuw de boomen om — de lucht weergalmde luid de slagen — en ik bouwde ons een hut, dieper in 't woud en dekte die met riet en leem. De pijnen stonden zwart en zwijgend de beek was toegevroren en de sneeuw blonk óveral. En 's avonds als de maan de boomen vulde met haar bleeken toover en sterren schitterden aan 't puur azuur, trokken wij samen uit om hout te sprokklen en keerden dan naar onze hut terug. Wij waadden door de fijne, rulle sneeuw, die knarde onder onzen voet. Een trein ging raat'lend door de wijde vlakte. En dan, bij 't knettrend vuur, te liggen aan Uw voeten en den ganschen nacht te weten de zwoelte van Uw weeke, teedre lijf, o God! een grooter zaligheid bestaat niet.

Ik wenschte arm te zijn en saam met U te wonen in een woud, waar geen gerucht van menschenstemmen door de stilte brak, alléén, alléén met U en met mijzelven. Dit is, zoet kindeken, mijn schoonste droom.

Sluiten