Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

296

ARMOEDZAAIERS.

Alles stil.... Heel stil....! Er tikten maar twee dingen in de kamer: de houtworm en het hoiloge in 't vestzakje, waarmede de zware gouden ketting verankerd lag. Misschien ook nog iets aan

den anderen kant van 't vest, maar dat kon je niet hooren

. Broer Kees wachtte

Ze waren laat, de broers

Af en toe wierp hij nog eens wenkbrauwfronsend een blik in een brief, die witvlekkend uitkwam tegen 't groene laken. Dat was de reden

— Er zou familieraad zijn. —

— Er moest familieraad zijn. —

— Want dat stukje papier, zoo onschuldig wit als het leek, was een donkere wolk aan den familiehemel Het sprak van schulden en van een onvermijdelijk failliet

En daaronder, dat was het erge: de naam Willigers, hun naam, zijn naam

Gisteren morgen had hij hem ontvangen.... Had er Mientje nog maar niets van gezegd.... Wou liever eerst met de broers overleggen.... Had dus onmiddellijk telegraphisch een samenkomst gevraagd voor dezen avond

De trein was zeker te laat door de sneeuw, maar daarom konden Johan en Willem toch wel komen !

— Eindelijk! De kantoorbel!

En even later traden de twee broers stampend binnen. Wit donsde de sneeuw op hun schoenen.

„Laat, he? Maar de trein is toch nog niet binnen!" zei Johan de notaris.

„Beroerd weer! om door te moeten!" pruttelde Willem, een schraal, dor kereltje. „Wat voor dringends had je, Kees?"

„Laten we nou wachten tot Dirk en Herman er ook zijn. Anders kan ik de dingen tweemaal zeggen."

't Duurde niet lang meer. De broers waren amper gezeten, toen de bel nogmaals overging.

— Dirk en Herman. —

„Wou je ons fuiven, Kees?" zei Dirk, een joviaal dorpsdoktertype.

„Marie wou me eerst niet laten gaan met dit hondeweer," zei Herman, de dominee. „Maar — een telegram....! Wij dachten,

Sluiten