Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

318

DE BOM, DIE VERKEERD SPRONG.

„Ja zeker," viel Elizabeth bij, „hoe eer, hoe beter, niet Eie? Wat een buitenkansje toch voor je!" Eie kreeg er heusch lust in.

Wel zag ze er nu nog vreeselijk tegen op, maar het zou wel wennen en naar alle waarschijnlijkheid zou haar nooit in haar leven meer zoo'n aanbod gedaan worden.

„Kan Moeder me wel missen?" vroeg ze nog.

Vóór haar moeder kon antwoorden, nam Elizabeth weer het woord.

„Natuurlijk wel, best hoor, we nemen Antje een keertje meer, zoo'n klein huishoudentje, als wij hebben, dat redt zich best."

Even voelde Eie het pijnlijk, dat zij, die toch den heelen dag bezig was voor allen, zoo gemakkelijk gemist kon worden. Als er zoo weinig te doen was, waarom moest zij dan altijd zoo hard werken? Maar al spoedig dacht ze weer aan andere dingen, er was nu zooveel, dat haar bezig hield.

Het epistel aan oom Jan werd geschreven en in antwoord daarop kwam er een briefje, waarin hij zei, dat hij eigenlijk aan Elizabeth of Louise gedacht had, toen hij zijn voorstel deed, maar als het niet ging, dan zou hij zich met Eie tevreden stellen. Hij kende haar wel heel weinig, maar de kennis zou zich wel maken, ze moest den nachttrein naar Bazel nemen, in Arnhem zou hij zich bij haar voegen. Hij hoopte, dat ze elkaar herkennen zouden, het was een heel tijdje geleden, dat ze elkaar het laatst gezien hadden, hij van zijn kant geloofde niet, veel verouderd te zijn.

Dit schrijven werd zorgvuldig voor Eie verborgen gehouden, alleen werd haar verteld, dat oom Jan het prettig vond, dat ze met hem meeging en haar in Arnhem ontmoeten zou.

II.

De trein naderde Arnhem.

Tot nog toe had Marie Lamond het best naar haar zin gehad, alleen in een eerste klasse coupee, rustig uitkijkend naar het voorbijsnellende landschap en van tijd tot tijd zich zelf bewonderend in haar donkerblauw tailor-made, dat haar zooveel slanker maakte, dan de door een huisnaaister veranderde manteltjes en rokken, waarmee ze tot nog toe tevreden had moeten zijn.

Sluiten