Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BOM, DIE VEEKEEBD SPRONG.

333

Al het verdriet van daareven viel van haar af, het verdween, het was niet meer, toen ze daar zoo stond en genoot, terwijl een windje zachtjes haar warm hoofd afkoelde en hare brandende wangen verfrischte

Hoe lang ze daar zoo gestaan had, wist ze zelf niet, maar ze voelde zich koud worden en rilde.

Toen kwam ook het bewustzijn van doodelijk vermoeid te zijn, van zich haast niet meer op te kunnen houden.

Ze ging naar binnen en begon zich langzaam te ontkleeden.

Wat was dat?

Werd ze geroepen?

Ze had duidelijk haar naam gehoord.

Nu werd er tegen de ruit van haar balcondeur geklopt.

Angstig luisterde ze.

„Rie ben je nog op? Ik ben het, oom Jan." Oom Jan, wat wilde die nu van haar.

Ze sloeg het gordijn, dat ze zorgvuldig had dicht getrokken, voordat ze aan haar nachttoilet begon, om zich heen en keek spiedend door de glazen van haar deur.

Niets te zien.

Toen weer Oom's stem, die zeide:

„Ik zou je graag nog even spreken, kun je een oogenblik op het balcon komen?"

„Op het balcon, Oom, ik ben op het punt in bed te gaan."

„Sla een mantel om, het is heerlijk weer vanavond, ik wou je wat zeggen."

Nog aarzelde Rie.

Hoe kon ze nu zóó op het balcon gaan, in haar nachtjapon en dan dat loshangende haar, dat ze juist bezig was uit te kammen.

„Durf je niet? We zullen netjes door de balustrade gescheiden blijven," spotte haar oom.

Rie vond het ongepast, maar toch, als ze niet ging, was Oom misschien weer boos en hij sprak nu heel vriendelijk, hij scheen niet meer aan zijn woorden van straks te denken.

Ze draaide haar zware haarmassa in een knoet en stak er een paar groote hoornen haarspelden door. Toen nam ze haar cape en wikkelde zich daarin. Deze bij de hals stevig dichthoudend, waagde ze zich naar buiten.

Sluiten