Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

338

DE BOM, DIE VEBKEEED SPEONG.

Rie keek hem aan met een devoten blik in hare lieve oogen. „Of ik het meen!"

Oom Jan voelde zich warm worden, wat een mooie oogen had dat meisje toch, zou ze werkelijk wat voor hem voelen? Als hij daar zeker van was....

„Zou je het met me durven wagen?" vroeg hij eensklaps.

In 't eerste oogenblik begreep Rie hem niet goed, maar toen ze hem aankeek, werd het haar duidelijk, wat hij bedoelde. Ze boog haar hoofd en begon te schreien.

Oom Jan legde haar arm op de zijne en wandelde wat met haar op.

„We moeten eens kalm samen praten, kindje," zei hij. Dien avond keerde Rie naar het hotel terug als de verloofde van oom Jan.

Den volgenden morgen werd het goede nieuws aan Rie's moeder geschreven.

„Wat zouden ze er thuis wel van zeggen?" vroeg haar aanstaande.

„O, ze zullen het heerlijk vinden," beweerde Rie te goeder trouw.

Haar verloofde was hier niet zoo zeker van, maar vond het wijs te zwijgen. Wie van beiden gelijk had?

Toen Moeder het nieuws voorgelezen had, keek ze wat angstig naar Elizabeth. Hoe zou die de tijding opnemen?

Zij zelve vond het zoo kwaad niet, de beide anderen konden hun brood verdienen, als het noodig mocht zijn en zij zelve zou wel eerder heengaan, dan haar nog zoo gezonde zwager.

Elizabeth zag bleek van boosheid.

Had ze geweten, dat zoo iets mogelijk kon zijn, dan had ze nog liever de heele school er aan gegeven en was met oom Jan op reis gegaan. Ze had hem daarom nog niet behoeven te trouwen, als ze niet gewild had. Ze had niet kunnen denken, dat die Rie zoo'n arglistig schepsel was, zoo'n onderkruipster.

Wies lachte om het heele geval.

Zij had Karei, dat was haar genoeg. Het was toch altijd nog beter, dat oom Jan hun zwager werd, dan dat hij een of andere

Sluiten