Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

390

BART BOUWERS' SCHAT.

Tot Eiek naast hem kwam staan, haar hand leunend op z'n schouders, met een wondere gloed in 't donkere oog — Hij schokte op, als van een venijnig beest gestoken — — Kom, lispte ze.

Haastig sloot ze alle deuren, sloop Barts kamertje binnen. Daar dook ze onder de bedstede, graaide 't kistje uit z'n heimelik verstek en sleurde 't onder het schijnsel van de lamp —

Aanstonds had hij het slot verbroken, staarden ze op de gouden zilverstukken, die glinsterden met vreemde toverpracht. Hun handen streelden het harde metaal, hun ogen gloeiden — dan telden ze, telden, belegden de tafel met lange rijen geld — De aanblik scheen hen te betoveren — als geband stonden ze om de dis —

Zo lag dan de gedroomde schat voor hen, plotseling als uit de hemel gevallen, hen tot een rein en lief bezit.

Dat het geld van Bart was, dat was al sedert lang uit hun gedachten gevaagd. Voor hen bestond er tussen al dat schoons en Bart sedert lang hoegenaamd geen verband meer. Bart was een zwoeger als zij — een naarstig man, die zij achtten, die ze zeker 't bezit van ook zo'n schat als deze niet misgunden, die hij wel verdiende — ze zouden er zich in verheugen —

Toch kwam een ongewone klemming hun weelde troebelen. Wat 't dan wel was? Een vrees leek het schier, dat ze alles weer zouden moeten derven — dat er mensen waren, die 't hen zouden roven —

Even dook Bart op voor hun ogen — en achter hem een lange rij van anderen — En allen gribbelden ze naar het geld —

Daar was Bart weer — hij was woedend, hij schreeuwde, wilde grijpen — 't Was zijn geld, beweerde hij — Zij hadden 't gestolen — zij zouden het terug geven — Hij dreigde en allen dreigden met hem —

Op eens stond het fel in hen, dat ze misdreven, dat ze Bart bestalen, dat 't geld niet van hen was — en dat — Verschrikt zag de een de ander aan — Dan — Hun gezichten strakten, werden fel, demonies schier. — Houden wilden ze het geld, houden zouden ze het geld! En geen mens zou ooit weten, wat ze hadden bedreven —

Haastig namen ze een zak, bezorgden daarin het geld, schurftig voor een enkele, enkele klank —

Sluiten