Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BART BOUWERS' SCHAT.

393

nuchtend, toen ze moest ervaren, dat men al van alles in kennis was gesteld.

— En dat geld! Al dat geld van Bart! Hoe moet dat nu? Zeg, hoe moet dat nu?

— Ja, bedachtzaamde Sibrand, terwijl z'n vingers figuurtjes op de tafel trokken — we kunnen er niks aan doen —

— En als ze 't dan stelen?

— Wie?

— Die mensen!

— Och, meende Sibrand, en ofschoon hij daarover zelf zo erg gerust niet was, poogde hij toch aan z'n woorden de toon van overtuiging te geven. — Bart zal wel goed voor z'n vogeltjes hebben gezorgd. Wegvliegen zullen ze zeker niet.

— 'k Heb 't ook gedocht, rellerde Nette, ook gedocht, 'k Had 't op de lippen, de Bemmers te vragen —

— Je hebt het toch niet gedaan? verschrok h'r zwager.

— God nee! stelde ze gerust — 'k Bedacht, dat net zo als jij zegt — maar toch. —

— Je kunt het nooit weten, dat is zo, verzuchtte Grada, die stram als een beeld stond bij 't fornuis, een vaatdoek gewonden om h'r hand.

— En Bart, hoe is 't met hem?

— Och, been kapot of zo iets als kneusing van 't hoofd.

— Een ongeluk is er zo gauw.

— Jullie moest van avond es komen — samen nog es overleggen, meende Nette, met de knop van de deur al in de hand.

Het antwoord wachtte ze niet af. Ze was al buiten, dribbelde met korte, vlugge pasjes de weg weer op naar huis.

Die avend kwam de familie samen en besprak lang en breed het geval, zo als 't er lag: Bart met beenbreuk in het ziekenhuis — z'n geld in z'n kamer, onder het bereik van vreemde mensen.

En als die mensen nu het geld es vonden en wegnam en? Dan had Bart niks meer, zou hun tot last komen, als hij niet meer kon verdienen — en zij kregen niets van alles, waarop zij hoopten.

Wel was men algemeen van gedachten, dat de duiten goed verstopt zaten, maar toch, je kon niet weten, wat die mensen niet wisten, en waar ze geen gebruik van zouden maken.

xii 3

Sluiten