Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

416

BART BOUWERS' SCHAT.

afgezocht. Drukte voor niets, 'k Heb al lang getwijfeld of dat geld maar niet een vertelseltje is.

Dat geld, dat vervloekte geld! Daar was 't in eens weer. Hier was het niet — daar was het niet te vinden. En overal stookte het kwaad en onrust. Toch deed het Eiek genoegen te vernemen, dat het nog nooit gevonden was. Iets van leedvermaak kwam in h'r op. Die mensen, die zo'n drukte hadden gemaakt — zij zouden het niet hebben — nooit! Had het lot hun 't niet gegund — zij zouden 't ook niet zien.

— 'k Heb aan Bart nooit gemerkt, dat hij geld had, zei ze effen. — De mensen vertelden het, en zo hoorden wij er ook van. Hij zelf heeft er nooit een kik van gegeven.

— 'k Zou ook niet weten, waar 't moest zitten, 't Lijkt een praatje en toch — d'r zijn ogenblikken, dat je 't wel geloven moet, dat er geld, veel geld moet wezen. Als je bedenkt, hoe Bart en z'n vrouw altijd leefden en wat ze altijd hebben verdiend —

— Hij leefde maar zuinigjes, bracht Eiek weer, en 'k heb vaak tegen m'n man gezegd, dat ik niet begrijpen kon, dat hij zoveel geld moest hebben.

— Och, hij was altijd wat zonderling, wat anders. Zij weet van niks, oordeelde Sibrand. Als zij wat wist, zou ze anders praten, anders doen.

Eemmers kwam binnen. Zwaar sloeg de deur achter hem toe.

— Wel Sibrand — groette hij, wat een eer! Een spotachtige trek kwam over z'n gezicht.

— Wel, wel!

— Ik kwam de weg vragen.

— Zo, ja — nou — hou je gemak! Eiek, wat koffie!

Met een plof liet hij zich op een stoel bij de tafel vallen, schoof de benen ver vooruit.

— We hadden 't net over 't geld van Bart — 't is nog nooit gevonden, begon z'n vrouw.

— Zo, zei Bemmers kalm weg.

— 'k Denk, dat 't er nooit geweest is, sprak Sibrand, maar soms denk je toch —

— 'k Heb aan Bart nooit wat van geld gemerkt; hij werkte als een kerel hoor. De laatste dagen voor z'n val nog — ik kon hem kwalik bijhouden. We spraken overal over, maar van geld ukkerde

Sluiten