Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

418

B ABT BOUWERS' SCHAT.

— O Eiek, Eiek — wat was ik een ezel, een dubbele ezel! Ik was voor veertien dagen bij Barts' buis — je weet op die nacht — Ik lichtte de pannen of — wilde naar binnen om het geld. Toen hoorde ik wat — 't was of mij iemand in de nek greep — Weg liep ik, weg, weg! Omkijken durfde ik niet. 't Was of er iemand achter mij aanholde — Ik liep door sloten, en plassen, rechtuit, recht aan — En er was niets! Nu ligt dat geld er nog — mijn geld — mijn geld!

Met een doffe kreun zonk hij terug op z'n stoel, steunde het hoofd met de handen.

Opeens hief hij zich op.

— Maar 'k zal het halen! 'ü Zal het halen! Is het vandaag niet dan morgen.

Z'n ogen flikkerden als schreiend rond.

Toen wist Biek, dat de vloek van het geld niet meer was te smoren, dat haar nog droeve tijden te wachten stonden.

Onderwijl ging Sibrand voort, nazinnend van wat hij had gehoord. De Bemmers wisten niets, niets — dat stond vast. Hij zou dan ook de pannen niet hebben afgenomen — Maar wie dan? Een ander die naar het geld wou zoeken of iemand, die een loopje met hen nemen wou?

Hoe 't zij — geen stap was hij gevorderd, alles, alles was even ver.

Hoe Nette dat zou opnemen, als ze 't vernam? Hij moest zich maar vatten op een geducht lawaai, waarbij dat van de vorige avend 't niet zou halen.

Een grijnslach trok om z'n lippen, als hij daaraan dacht.

— Dat geld, mompelde hij, dat beroerde geld, dat maar niet te vinden is — en dat, ik geloof, ik geloof het nu zo goed als zeker, d'r nooit is geweest. Maar toch —

XVIII.

Euim twee jaren waren er verlopen sedert Barts verscheiden, en nog altijd stond het huisje leeg. Er hadden zich wel huurders opgedaan, kopers zelfs, maar de familie had ze ruw afgewezen.

Sluiten