Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EL DORADO.

431

Voor ze goed wist wat ze deed, had ze een slag met de vlakke hand achterwaarts gegeven.

„Zeg ereis, wat beteekent dat?" siste de man achter haar. Het was de leider van het ensemble, waarmede zij in Indië concerten zou geven.

„Dit, Kamowsky," gaf ze nu bedaarder terug, maar haar oogen schoten nog vlammen. „Dat het voortaan tusschen ons uit is. Fini."

„Comment?" vroeg de ander onthutst. Zij had hem de gansche reis aan boord als bon ami genegeerd, hij had zulks zwijgend aangenomen, begrijpende dat zij zich in zulk een klein bestek niet wilde compromitteeren. Maar nu —

„Comment?" vroeg hij nog eens. Zijn wang tintelde nog van haar klap.

Zij zocht naar woorden om hem heel ernstig haar meening te zeggen. Toen dacht zij aan Jans laatste gezegde: „Ik zal met de eerste de beste mail schrijven." Het Dorado was per slot van rekening nog zeer vaag — zéér vaag —

Ze lachte even, maar het klonk valsch, schel.

„Ik heb genoeg van je. Voila, mon cher. Et — attendez — j'ai un autre maintenant."

III.

Ze waren héél gelukkig.

Ze begonnen hun dag met muziek, ze eindigden hem in muziek. En ze lachten veel. Het was alles zoo grappig jong, zoo verbijsterend nieuw in hun leven. De zorgen deerden hen nog niet. Ze hadden elkaar, hun liefde, en de muziek.

Ze woonden in een klein huisje in Embong Woengoe. Het bestond uit een miniatuurvoorgalerijtje vlak aan de straat, een iets ruimer binnengalerijtje, en een slaapkamer. Daarachter een rij van drie bijgebouwen en hokjes en een driehoekig soort plaatsje, door Sara met den weidschen naam van tuin betiteld. Jan sprak steeds van het „grafzerkje!" Sara had er een paar schamele witgekalkte bloemppotjes in neergezet en een popperig tuinbankje, waarop ze heel dicht tegen elkaar moesten zitten. Nu, dat was geen bezwaar. Jan had in de uiterste punt van den driehoek van

Sluiten