Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAAR ANDERE LANDEN.

459

die ossen is moeg en hulle het nie gevreet nie." Visage waakt op. „Ja", zegt hij, „ons gaat uitspan."

Zij spanden uit en Visage ging naar huis. Er was berusting, maar ook moedeloosheid in zijn gebaar, waarmee hij zich aan tafel zette. „Ik zal vanmiddag even naar hem toe gaan," zei hij aan zijn vrouw. Na het eten ging hij weg. Het huis van Viljoen stond een twintig minuten van hem af. Hij nam het voetpad, dat door diens landen ging. Het was zeer heet en de hitte was tussen de maïs nog groter. Al die landen waren van Viljoen. „Hij is daarom rijk," zei Visage. Hij dacht dit zonder wrevel. De zon glinsterde op de brede heldergroene maïsbladen, boven de landen beefde de lucht, de hemel was wolkeloos en er was geen wind. Zo alleen, besloten door de glinsterende planten om hem met boven hem de blauwe helderheid, in de grote rustmakende warmte, werd het kalme en berustende zeer sterk in hem en een zoete lichte tevredenheid rees in hem op. 't Zou alles goed gaan op een of andere manier. Hij zou blijven of weggaan, maar als hij weg moest zou hij ergens anders goed terecht komen.

Toen hij bij Viljoen kwam, zat daar lang-Gawie-Bredebach. Hij groette hen op de gewone niets-zeggende manier. Viljoen en Bredenbach spraken over politiek. Bredenbach was ook een Botha-man en hij sprak met grote verachting over Herzog, hoewel hij wel wist dat Visage een arbeidersman was en de arbeiders vrienden van Herzog waren. Maar Visage was buitengewoon kalm gestemd, enigszins vermoeid ook van de beroeringen van dien morgen. Hij luisterde kalm naar wat gezegd werd, zonder boos te worden. Hij was zeer onverschillig omtrent de opienie van deze mensen. Die mensen waren hem nu zo uiterst onbelangwekkend, zij bleven zo ver van hem, lieten hem zo gans onaangetast, dat hun lelike woorden over Herzog, voor wien hij een groot respeckt had, hem geheel niet hinderden.

Hij zat gemakkelik op een grote stoel, een beetje weggezakt, zijn oogleden half omlaag, kijkende naar allerlei dingen in de kamer. Naar het soort van kleed op de tafel, naar een prent van een gevecht met kaffers aan de wand, naar de donkere gordijnen, die half voor de kleine vensters hingen en het vertrek donkerachtig maakten. Dat donkerachtige van de kamer beviel hem buitengewoon, hij zat zo gemakkelik en was zo helemaal ongevoelig voor

Sluiten