Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LATE LIEFDE.

„Echt waar?" vroeg hij kleintjes.

„Echt waar hoor — eigenlijk ben je me niet mans genoeg dat

'kveel drukte voor je maak."

„Nee, nee, daar hei je gelijk aan," stemde hij gretig toe, ,,'k

ben lang niet mans genoeg voor je — zoo'n klein kereltje en zoo'n

groote meid, wat zou 't raar lijken hè?"

„Nou! En as jij zoo bang voor me bleef as je nou bent, zouden

we niks aan mekaar hebben ook — 'k heb het nou eenmaal niet

op kerels, die bang zijn voor 'n vrouwmensen."

„Dan zeilen d'r toch wel niet veel kerels zijn waar jij 't op

hebt," aarzelde Klaas, met ontzag haar reuzenfiguur bekijkend.

Zoo'n mensch! Wie zou daar niet bang voor wezen.

„Nee", bekende ze, „dat zijn er ook niet en daarom berg ik

me van nou af maar rustig heelemaal alleen op in de polder —

daar loopt het manvolk me gelukkig niet erg in de weg. 'k

Wil je groeten hoor, en 'k wil voor je hopen dat je nog eens 'n

vrouw vindt die beter bij je past, want noodig is 't wel voor je —

wat heb je d'r vies zoodje van hier in huis."

Bruusk draaide ze zich om, liep de deur uit en trok die met een forschen smak achter zich dicht. Even wachtte Klaas nog, halfweg de trap — ze mocht nog eens terug komen en dan vond hij 't veiliger om toch maar buiten 't bereik van haar groote handen te zijn. Eerst toen hij haar voetstappen had hooren verklinken over 't straatje, dat van zijn voordeur naar den dorpsweg liep, waagde hij 't om verder af te dalen en dadelijk schoot hij toe op de achterdeur om daarvan den sleutel om te draaien en beide grendels erop te schuiven — stom dat hij er in zijn verbouwereerdheid niet eerder om gedacht had. Maar 't was gelukkig goed afgeloopen. En nou kwam ze niet meer terug ook — gelukkig maar dat hij haar dadelijk goed had laten merken, dat hij van haar aanhaligheden heelemaal niet gediend was. Als hij toegegeven had en 't was tot trouwen gekomen, dan was 't natuurlijk weer net gegaan zooals 't bij zijn moeder altijd ging: veel gesnauw, een pak rammel misschien nu en dan en geen ander pleizier dan van tijd tot tijd een half onsje pruimtabak. En nou kon hij pruimen zooveel hij wou en 't mocht met de kokerij en met 't zindelijk houden van zijn huis niet zoo goed gaan, slecht eten en een vuil huis waren toch altijd nog beter dan een kwaad

Sluiten