Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KARAVANSERAI.

geschilderd waren de zwarte wenkbrauwen en heur haar, in een „kondeh" gewrongen was heel zwart, hier en daar flikkerend van diamanten. Ze droeg een kimono van Perzische zij, gebloemd, •een sarong van Lassem, gouddooraderd, zacht bruin, met we'dsche bloemen en lianen. Haar kleine blanke handjes flitsten van juweelen. Ze scheen zoo weggeloopen van een vaas of van een verlakt blad, zooals er aan de wanden hingen. Ze liep een beetje moeilijk, doordat haar voetjes niet tot volkomen *ont wikkeling waren gekomen; die eigenaardige bekoorlijkheid had ze van een heel vreemde elegante kunst, die treft zonder dat men er zich dadelijk rekenschap van geven kan waardoor. Ze leek wel van heel fijn porcelein. —

Tot van Arkels verbazing sprak ze heel aardig Hollandsch. — „Ik ben toch bang, meneer," zei ze, „want mijn man hij is altijd zoo dapper, weet u, hij waagt maar.... Ik vind u wel vriendelijk, maar...."

Die naïeve taal, met een heel zacht welluidend stemmetje gesproken door dat porceleinen vrouwtje, ontroerde hem; hij vond haar mooi en hef en zou in oudromantische dwaasheid graag haar mooie handje gekust hebben, met die romantische ridderlijkheid welke hij uit tallooze romans scheen te hebben ingezogen. Hij troostte haar, zei dat er volstrekt geen gevaar was, hoewel hijzelf evenmin op zijn gemak was.

Inmiddels ging het angstgeschreeuw in de verte over in gejuich, er werd een roffel geslagen op een soort van trom en klank van metalen kletterde door de vreugdekreten; de gardoe's sloegen op de tong-tongs een soort van marsch, — „De tijger is zeker gepoetst!" zei mevrouw Sing. — „Of gedood," meende van Arkel, die maar giste, want het geraas bedaarde en zoo nu en dan klonk er nog maar gejuich. —

Hij wenschte haar er geluk mee, dat alles zoo kalm werd en maakte haar zijn compliment over haar Hollandsch, en zij, al gauw gekalmeerd, begon uiterst naïef hem haar levensloop te vertellen: ze was in Soerabaja geboren, haar vader was daar kapitein-Chinees geweest en zeer bevriend met meneer Both: de overleden dochter van meneer Both was haar beste vriendin — en ze had met haar op de zusterschool gegaan bij de Ursulinen — die was toen de beste — en zoo dol graag had ze heelemaal een i 3

Sluiten