Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAKAVANSREAI.

In een kleiner vertrekje was ook de slaapgelegenheid in orde gebracht, — van Arkel wees erop. — „Och," zei Both, „je kunt nooit weten, hoe we iemand te logeeren houden. Een mensch moet op alles bedacht wezen."

Both dronk z'n pahitje, maar hij was een beetje stil; ook onder het avondeten bleef hij dat. Hij dronk zijn glas wijn, klonk met van Arkel een zei, onmiddellijk na tafel te willen gaan slapen. — „De bedienden zorgen voor zich zelf." zei Both, — „daar bemoei ik me nooit mee. Ze mogen 't goed hebben, dat weten ze. Ik

ben van avond ook moe " — Den bedienden werd aangezegd,

stil te zijn. Wilden ze met hun oude kennissen, die al gauw kwamen opdagen, nog wat napraten, dat was hun zaak — maar stil! — hij mocht ze niet hooren. En den volgenden morgen om zes uur present — de paarden klaar.

Van Arkel was ook moe; hij probeerde op zijn rustbank nog wel wat orde te brengen in zijn overpeinzingen, maar zijn lichaam was te moe — hij sliep en in zijn droomen alleen doorbeefde het besef van de hem bereide heerlijkheid.

Maar toen hij den volgenden morgen even voor zessen naar buiten trad in de kleine voorgalerij, sloeg hij als in reflexbeweging de armen omhoog: de zon rees op uit den oceaan, ver achter Madoera, en verguldde de zacht wiegende zee; als een smaragd dreef Madoera in een bad van vloeiend goud; de zonnebol, roodgloeiend metaal in een rand van stralende oranje, vlammentintte den strak blauwen hemel, dien overwazend met een gloor van glanzig topaas, en bronsde den groenen kustrand, heel, heel, ver, deed hier en daar karmijn gloeien en purper bloeden; — aan zijn voeten heel in de diepte, lag uitgespreid in waaiervorm een kleurenweelde, schooner en teerder dan Oostersche kunst ooit wist te scheppen. Zijn adem stokte, het ontroerde hem tot zelfvergetenheid in extaze.

Both stond achter hem en klopte hem op den schouder. — „Mooi, he? Dat verzoent mij, een oud half blind man, nog met heelveel leelijks om me heen. Ik wou dat de menschen daar nu

eens over preekten of nee, nee, niet preeken. Als ze 't in

's hemelsnaam maar leerden zien kom aan, jongen — we

moeten tusschen negen en tien boven zijn — dan zie je nog iets mooiers...."

Sluiten