Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KARAVANSERAI.

maar 't idee alleen hier te zullen rusten, verzoent je heelemaal

met het sterven Me dunkt de zonnestralen moeten hier

plezier in d'r leven hebben...."

Ze daalden nu langzaam, langs kronkelende boschwegen, naar Soemberwekas, waar Boths vriend von Lindenfels zijn buitenverblijf had. Hij was een Duitsch edelman; — als jong officier in zijn vaderland in ongelegenheid geraakt, was hij ten slotte te Harderwijk verzeild — in Indië bracht hij het tot ritmeester, verliet den dienst, werd suikerboer en voor zijn plezier, — zeer ten bate der instelling zelf — commandant der schutterij. Both had stil het plan gevormd bij hem te rijsttafelen en watte slapenom dan zoo snel mogelijk langs een veel korteren weg naar den pasangrahan terug te keeren Maar von Lindenfels was niet thuis, was voor een dag naar Soerabaja, zou 's avonds terugkomen. — ,,'t

Doet niets," zei Both, „we eten hier toch Heb je rijst Ating ?"

— „Jawel toewan." — „Breng me dan eerst m'n pahitje.... eerst m'n pahitje, dat houdt de fut er in, want ik ben tegenwoordig duivelsgauw tjapeh Neem ook een pahitje, van Arkel.

Waarachtig 't is goed — als je maar maat houdt"....

Het duurde niet zoo hc el lang, of ze zaten aan tafel; zelfs het glas wijn ontbrak niet. — „Weet je zeker ,dat je toewan van avond

thuiskomt, Ating?" — „Zeker, toewan " — „Dan ga jij,"

zei Both tegen van Arkel, „eerst wat rusten en dan met Wongso te paard vooruit naar den pasang-rahan — Wongso weet den weg. Ik moet beslist von Lindenfels even spreken. De Hadjie en de assistent-wedönö komen op bezoek, dan kan jij ze ontvangen. Je houdt ze maar aan den praat...."

Zoo gebeurde het: te half vier vertrokken van Arkel en Wongso naar Prigén, uit den rand der'vlakte langs den bergweg over steeds hooger liggende heuvelruggen, altijd in het dichte bosch, weer opklimmend naar het plateau van den pasang-rahan — maar langs een veel korteren weg. Omstreeks vijf uur waren ze er, en daar trof van Arkel Adolfien aan; ze stond in de voorgalerij.

— „Hier ben ik," riep ze hem toe, terwijl hij afsteeg en de teugels van zijn paard aan Wongso gaf, „een dag te laat, ja? Maar ik kon niet eer, betoel niet Was oom boos?"

— „Dat geloof ik niet; wel heb ik gemerkt, dat hij je gisteren te Bangil dacht te vinden,..,"

Sluiten