Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ONTROUW VAN MENEER DÉSIRÉ.

Onwillens, onwetens, had juffrouw van Weideren de tweedracht in het huis gebracht, het deftige, Scheveningsche huis, waar een broeder met twee zusters woonde.

Een pressie drukte alle leden van 't gezin. De belichaamde oorzaak hield zich afzijdig, deed d'r werk, voor zooverre Emilie of Theodora — die weer op de béén was — haar dat niet uit handen namen.

Désiré was voor 't dilemma gesteld: die juffrouw d'r uit óf zij-en-jij d'r uit.

En — de mogelijkheid was, als een ónmogelijkheid, geen moment in bespreking gekomen — -.Désiré verkoos het laatste!

„Désiré, je gekscheert!", kreet Emilie.

„Désiré, zeg dat 't een aardigheid was om ons te taquineeren!", gilde Theodora.

„Neu.... Ik méén het. Jullie hebben me de keuze gemakkelijk gemaakt. Ik heb niet het eerste woord behoeven te spreken."

„Désiré, met die vrouw!"

„Désiré, met dat mensch!?"

„Désiré, bedenk je toch!"

„Désiré, doe geen overijlde dingen!"

„O, wat zal je dat berouwen!"

„Ons zoo alléén achter-te-laten!"

„Ik lever jullie toch gezond-en-wel af? Dat is toch móói van me?"

„Zij zou 'tniet hebben goedgekeurd!", en Emilie wees op het portret der doode.

Even, heel even, leek Désiré geïntimideerd. Maar hij schudde die hchte bevanging van zich af en mopperde:

„Ik heb toch niet het eeuwig celibaat gezworen, verdommenog-toe!"

„O, Désiré!", stamelden de zusters.

Hij vloekte anders nóóit. Of-t-ie ook aan 't verworden was, onder den verderfelijken invloed van dat wijf!

Het was hem geen gril, maar diepe, diepe ernst. Hij zou haar trouwen.

Sluiten