Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

De jardin public? Af en toe.

De muziek? — zeker niet, maar het uitzicht van uit het parkje om de tent wel.

Tot achtergrond de zee, waarlangs in 't felle zonlicht de bonte menigte schuift; dan, onder de hoornen, de rustige bankjes, waar ik Francaises bezig zie hun kunstig borduurwerk te scheppen; een gedeelte hoofdstraat met uitlokkende winkels, de Engelsche tearoom op den hoek en rechts van mij, over de vreemdsoortige bloemen, die slingerend gegroepeerd zijn in de lage perken van den Jardin, zie ik aan 't eind der avenue de la gare, de bergen omhoog rijzen achter de spoorlijn.

De zon verguldt ze, de olijfboom geeft hun zijn blauwachtig waas, donkere vlekken maken de stijve, sombere cypressen en daken en muren steken lichtkleurig af.

Ach — wanneer zal ze dit alles kunnen zien!

Ik ging terug door de Eue Félix Faure.

Daar stond Jan, de handen in de zakken, vol aandacht voor een boekwinkel te kijken. Toen ik er voor was en hij verder geloopen, zocht ik wat zoozeer zijn belangstelling kon hebben opgewekt.

Er lagen de meest verschillende boeken, een paar goede aquarellen, verfdoozen, potlooden, prentbriefkaarten van Menton en omgeving, zelfs van de roulette van Monte Carlo.

Ik kon het niet raden.

Eentonig, maar niet vervelend, gingen de dagen voorbij.

's Morgens zaten we buiten, 's middags liet ik Paula alleen op haar kamer en deed wandelingen of dronk met reiskennissen thee bij Eumpelmayer. Daartusschen de afleiding van lunch en diner en 's avonds naar onze kamer of nog een poos in de verwarmde hall.

Van ons landgenootje hadden we niets meer gemerkt, wel over hem gehoord.

't Was waar; zooveel dagen zooveel guitenstreken.

„Is dat kind dan altijd aan zich zelf overgelaten?" vraagt Paula afkeurend.

Hij had de dikke Duitsche dame gekiekt toen ze op den dunbeenigen ezel naar Sainte-Agnes zou rijden en de foto in de hall opgeprikt naast die van de Engelsche met haar wandel-

Sluiten