Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

Paula glimlacht slechts tot antwoord.

„En er is zooveel te zien! Waar bent U al zoo geweest?"

„Ik heb nog niet gewandeld," bekent ze.

„Maar! hoe is 't mogelijk! U kunt het toch wel, niet waar ? Ik zie U immers in huis en op de trappen loopen, U hebt toch niets aan uw voeten?"

„Neen."

„Nu dan, kom dan mee'?'

„0 neen, dat zou ik niet kunnen!"

Jan springt op.

„Jawel, jawel, we gaan nu naar de deur, dat kunt U best, dat doet U altijd" hij neemt Paula bij de hand „en in plaats van nu naar de deur te gaan draaien we om naar dezen kant; dat is natuurlijk net hetzelfde voor U."

„Nu kijkt U den boulevard eens af; willen we oversteken? Daar ziet U hoe ze aan 't visschen zijn onder den strandmuur. Als U moe wordt moogt U er op gaan zitten, dat doe ik altijd en anderen heusch ook, maar kom nu eerst mee — U mag me wel vast houden —"en met zachte, geregelde passen wandelt de wilde Jan met de zwakke Paula over den boulevard.

Gode zij dank, ze wandelt! Ik heb er haar nooit toe kunnen krijgen. Zou ze het tot den jardin brengen? Neen, ze gaan op een bank zitten. Ik zie hen druk praten. Dan keeren ze terug, Jan draagt de parasol.

„Morgen gaan we verder niet waar?" zegt hij vroolijk en weer: „dag lievert."

Ik zeg maar niets en Paula blijft ook zwijgen.

Dan verloopt het program van den dag als gewoonlijk, behalve dat we, bizonder laat in de eetkamer komend, er Jan zien zitten met een heer.

Zou het zijn vader wezen? Hij is even blond, maar ziet er moe en fané uit.

Zijn kleeding is onberispelijk en zijn manieren zijn het ook; hij luistert afgetrokken naar het gebabbel van den jongen, dien hij wijn schenkt, terwijl hij zichzelf meermalen het glas vult. Jan maakt hem op ons opmerkzaam; wij zijn de eenigen in de zaal maar zitten op grooten afstand. Jan knikt ons toe, de heer groet innemend.

Sluiten