Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

worden en ik wendde mijn hoofd opzettelijk om. Hij kwam mij ook niet achterop.

„Breng dat naar nummer acht en vijftig" hoorde ik den portier later in de hall zeggen tegen een kamermeisje, dat bij op een blad wees, waar een deel van 't diner op stond. „De jongen beeft weer niets gegeten."

Nummer acht en vijftig?

Dat was Jan.

Gearmd liepen ze door den tuin in druk gesprek, vader en zoon; de jongen scheen ijverig om iets te vragen.

Hoe glinsterden zijn oogen! boe smeekte heel zijn vriendelijk gezicht! zelfs de kleine hand die vaders arm sleurde en drukte, „toe dan vader, voor één keertje maar, neem me nu mee?"

„Het gaat niet, neen, het kan niet."

„Jawel, ik moet het weten, ik wil het oók zien, toe vader neem me nu mee."

De kinderstem sloeg over. De vader klopte regelmatig op de hand die op zijn arm lag, maar stemde niet toe.

Toen rukte Jan zich los, rende de hall in, bons! tegen een dame aan die met een bloemvaas in de hand liep.

Glasscherven rinkelden.

,,'t Kan me niet schelen! 't kan me niet schelen!" gilde de jongen de trap opstormend.

„Lieve hemel, wat een onopgevoed kind!" riep de dame ontsteld. .

„Neen Mevrouw, de vader is onopgevoed, het kind is goed. zei" Paula op eens scherp, terwijl ze gedienstig de bloemen tusschen de scherven opraapte.

De vreemde keek verbaasd, maar het eerlijke gezicht van Paula ontwapende haar zeker en met vriendelijken dank voor de hulp,-nam ze de geredde bloemen mee.

Toen mijn zuster omzag keek ze recht in een mannengezicht, dat vlamde van woede.

Jan's vader stond naast haar, niet de verwelkte, vermoeide, die we eerst hadden gezien, maar een man in de kracht van zijn leven, met regelmatige, nu strak gespannen trekken, met staal harde oogen en bloedelooze lippen.

Sluiten